Alleen op stenen kan Spanje niet groeien

De nieuwe Spaanse regering erft een luchtbel. Onder premier Aznar zijn de opbrengsten van de economische groei niet goed besteed.

Zelden had een nieuwe regeringsploeg zo'n dramatische start. De Madrileense beurs daalde afgelopen maandag ruim vier procent na het bekend worden van de denderende verkiezingsoverwinning van de socialistische partij onder leiding van José Luis Rodríguez Zapatero. Dat leek een kille ontvangst van de socialisten, in het algemeen al niet de lievelingen van de beurs. Maar toch viel het mee: de volgende dag klom de index al weer anderhalve punt omhoog. Dat was acht jaar geleden bij de overwinning van de conservatieve premier José María Aznar wel anders geweest: toen klapte de beurs zelfs meer dan vijf procent in elkaar.

Niettemin, de start was dramatisch vanwege de gruwelijke treinbombardementen van een week geleden, die 201 doden en 1.500 gewonden zou veroorzaken. Nadat de scheidende regering de eerste dagen hardnekkig had proberen vol te houden dat het de regionale terreur van de ETA was die achter de aanslagen zat, bleek het weekeinde dat het waarschijnlijk om Al-Qaeda gaat. Dat gegeven deed de beurzen wereldwijd op hun grondvesten schudden. En dat effect buiten beschouwing gelaten, werd de onverwachte komst van de socialisten bijna rimpelloos verwelkomd.

De tijd dat de komst van een linkse regering leidde tot kapitaalvlucht, depressieve bankiers en ander financieel ongemak lijkt voorbij. In Spanje is dat voor een belangrijk deel te danken aan ex-topbankier Miguel Sebastían. Sebastían, die ooit bij de grootbank BBVA de laan uitvloog omdat hij in een analyse iets aardigs had gezegd over het belastingplan van de socialisten, is van het type dat goed ligt in de financiële wereld. Een slimme, creatieve vrijemarkteconoom, misschien niet altijd even makkelijk in de omgang en met een slechte reputatie bij de vakbonden. Hij wordt getipt als de toekomstige superminister van financiën en economische zaken.

De socialisten kunnen wel iemand met enige intellectuele lenigheid en incasseringsvermogen op die post gebruiken. Want hoewel de scheidende conservatieven zich op de borst slaan dat ze de zaken puik in orde achterlaten, kampt de Spaanse economie met een aantal fundamentele problemen die op de middellange termijn wel eens een einde kunnen maken aan de bestendige groeicijfers van de laatste jaren.

Wie wil weten hoe het gaat in de Spaanse economie moet een autoritje maken langs de noordelijke rondweg M40 van Madrid. Daar verrijst aan weerszijden van de weg een surrealistisch woud van honderden hijskranen. Glaswanden van de moderne kantorencomplexen glimmen de bezoeker tegemoet. Over het versgelegde stratenpatroon rijden jonge families in hun juist gekochte middenklasseauto's om de voortgang van de bouw te inspecteren.

Het had een televisiespotje kunnen zijn van de vertrekkende Partido Popular waarmee de sterk gegroeide middenklasse nog eens werd gewezen op de economische voorspoed die hen ten deel was gevallen. Nog nooit in de Spaanse geschiedenis werd er zo druk gebouwd. Dit jaar worden er 650.000 nieuwe woningen opgeleverd, bijna even veel als de rest van de nieuwbouw in de EU bij elkaar. De bouwmarkt genereerde een enorme werkgelegenheid: in acht jaar tijd werden vier miljoen arbeidsplaatsen gecreëerd, meer dan waar ook in Europa. De huizenprijzen stegen spectaculair: alleen al 17 procent in het afgelopen jaar. Menig huiseigenaar zag de waarde van zijn bezit in korte tijd verdrievoudigen. Prijzen van 6.000 euro per vierkante meter zijn geen uitzondering. Madrid is duurder dan Londen of Parijs.

Tot zover het goede nieuws. Want menig econoom meent dat de explosieve groei van Spanje's markt voor onroerend goed eerder een symptoom is van een speculatieve luchtbel. Als die luchtbel plotseling knapt, zit Spanje met een probleem: dalende huizenprijzen en een excessieve hoeveelheid uitstaande hypotheek en andere schulden bij de banken. De centrale bank heeft al gewaarschuwd voor een mogelijke harde val van de huizenmarkt.

De investering in baksteen is ook treffend voor een economie waarin de groei op langere termijn wordt opgeofferd aan snelle winsten en consumptie. Geïnvesteerd in duurzame groei werd er veel te weinig, ook niet door de overheid. De conservatieve regering hield vooral de vinger op de knip, en investeerde in acht jaar tijd niets om de toekomstige concurrentiepositie veilig te stellen.

,,De groei van de afgelopen jaren is niet op een goede manier aangewend en dat begint steeds meer te dringen'', meent econoom Emilio Ontivero. ,,Alleen op gebouwen kan een economie niet groeien.'' Aangetrokken door een overspannen huizenmarkt, waar grootscheepse leegstand en prijsexplosie hand in hand gaan, stopt Spanje zijn spaargeld in baksteen. Volgens de gezaghebbende hoogleraar aan de Autonome Universiteit van Madrid is het echter hard nodig dat zowel het bedrijfsleven als de publieke sector op grootscheepse wijze gaat investeren in een beter opgeleide beroepsbevolking, onderzoek en technische ontwikkeling.

Dat laatste vormt nu net de kern van het verkiezingsprogramma dat Sebastían voor de socialisten ontwierp. Grootscheepse investeringen moeten het onderwijs in Spanje eindelijk eens de evidente achterstand die het land heeft ten opzichte van de rest van Europa in doen lopen. Daarnaast moet de overheid geld vrijmaken voor onderzoek en technologische ontwikkeling.

De opeenvolgende conservatieve regeringen hielden het overheidstekort netjes op nul. Maar volgens Ontivero is er best ruimte voor een klein tekort, mits het vrijgekomen geld wordt geïnvesteerd in verbetering van de kennis- en technologische infrastructuur van het land. De tijd dringt, de nieuwe concurrentie staat klaar. De eerste grote fabrieken hebben hun vertrek naar Oost-Europa al aangekondigd. En aan de horizon doemen meer gevaren op: de Europese miljardensubsidies voor infrastructurele werken zullen grotendeels opdrogen. En een omslag van de rente-ontwikkeling kan hard aankomen bij de Spaanse gezinnen die tot hun oren in hypotheek- en andere leningen zitten.

In de stembusstrijd van de afgelopen weken hamerde de Partido Popular stevig op de economische successen van de afgelopen jaren. Toch bleef het programma steken in een herhaling van zetten, waarin vooral aan de nullijn van het overheidstekort een hoofdrol werd toegedicht. De socialisten kozen echter voor de aanval met een model waarin drastische maatregelen worden aangekondigd.

Een greep uit de beloftes: door het verhogen van de belastingvrije voet voor de inkomstenbelasting (tot 10.000 euro, plus 3.000 extra voor ieder kind) zal het aantal belastingplichtigen met zeven miljoen worden gehalveerd. Het progressieve tarief, socialistisch stokpaardje, wordt ingeruild voor een vast tarief van rond de 30 procent. Winst op aandelen, waarop nu nog een heffing van 15 procent drukt, komt onder de nieuwe belasting te vallen. Het principe van een ontbrekend begrotingstekort wordt losgelaten als doel op zich. Maar het grootste deel van de nieuwe investeringen moet worden opgebracht uit de bevriezing van de defensie-uitgaven, aldus lijsttrekker Zapatero in zijn campagne.

De relatief vriendelijke ontvangst had ook te maken met de belofte van Zapatero direct afgelopen maandag, dat hij niet zal ingrijpen in de vrije markt, bij vijandige overnames bijvoorbeeld. In Spanje is zoiets niet onbelangrijk, aangezien politieke en financiële belangen vaak een zeer nauwe relatie met elkaar onderhouden. In weerwil van zijn liberale imago had de regering-Aznar er een handje van zich intensief met de financiële wereld te bemoeien. Onwelgevallige fusies, zoals vorig jaar in de energiesector de voorgenomen overneming van Iberdrola door Gas Natural, werden op aandringen van de regering geblokkeerd. Op sleutelposten bij grote bedrijven werden vrienden van de premier benoemd.

Als Zapatero woord houdt, een karaktertrek die hij meer dan de gemiddelde politicus lijkt te bezitten, kan Spanje voor de verandering eens niet een grote schoonmaak in zijn bedrijfstop tegemoet zien. Dan zal bijvoorbeeld Aznar's goede vriend César Alierta als topman van Telefónica mogen blijven zitten. En bij de grootbank BBVA zelfs misschien Francisco González. Hoewel dat laatste bijna niet is voor te stellen: het was González die op last van de conservatieve regering de thans beoogde minister Miguel Sebastián bij de bank wegstuurde.