Verpletterend mooie seizoenen

De meester penseelt met water karakters op een steen. Waar de penseel het grijze oppervlak raakt, verschijnen zwarte serpentines op de steen. Als hij de onderste regel volschrijft, is de bovenste al verdampt en is de steen even egaal grijs als tevoren.

Zo filmt de Koreaanse regisseur Kim Ki-duk schoonheid en symboliek tegelijkertijd. Zijn Spring, Summer, Fall, Winter... and Spring – die al op verschillende festivals te zien is geweest, waaronder eerder dit jaar dat van Rotterdam waar hij hoog in de ranglijst van publiekslievelingen eindigde – is al hier en daar met enig cynisme weggezet als `Boeddhisme voor beginners'. Dat zal dan wel. Maar doe je Fellini als filmer recht door Otto e mezzo `Freud voor beginners' te noemen? Of Kusturica door Underground weg te zetten als `Balkan voor beginners'? Natuurlijk niet, dat zou een grove onderschatting van de visuele verbeeldingskracht van deze filmers zijn. Filmers die niet in de eerste plaats vertellen maar tonen.

Zo is het ook met Kim Ki-duk. Spring, Summer, Fall, Winter... and Spring is van een verpletterende schoonheid en dat je in een film die zo nadrukkelijk over de kringloop van het leven gaat, op zeker moment voorvoelt hoe het straks zal eindigen – nou en? Kim Ki-duk vouwt zijn beelden in een rustig tempo uit, liever in totaalopnamen dan in close-ups. In totalen kan hij zijn meesterschap in de kadrering volop vieren en bijvoorbeeld met een boom de enorme ruimte erachter in twee veelzeggende helften delen. Hij is meer geneigd de roerloosheid van het geheel te zien dan de dynamiek van de details. Liever de beschouwing dan de handeling, want als beschouwer kan hij water evengoed laten spreken als een vis of een mens. Dat is hier eigenlijk niet veel anders dan in The Isle die vorig jaar uitkwam. Het gewemel van de mensen tegen een overweldigend decor van ongenaakbare natuur. En in de tijd dat de mensen hun kringloop volbrengen, is de natuur onberoerd gebleven.

Veel woorden worden niet gewisseld tussen de meester die op een drijvend eiland op een bergmeer zijn toevlucht heeft gezocht, en zijn leerling, een jochie van een jaar of zes. De meester beziet de jongen en leert hem hoe hij onderscheid kan maken tussen giftige en eetbare bladeren. Hij beziet de jongen en laat hem begaan als die grinnikend een schildpad op zijn schild klopt, als hij een visje, een kikker en een slangetje een steen aanbindt. Maar de meester bindt 's nachts een enorme steen op de rug van de jongen die hij pas mag afdoen als hij de drie dieren heeft teruggevonden en van hun steen bevrijdt. ,,Als een van die dieren dood is,'' zegt de leraar, ,,zul je die steen de rest van je leven in je hart meedragen.'' Twee van de drie zijn dood.

Het drijvende eiland is een plek die buiten de wereld en de geschiedenis lijkt te liggen. De toegang is een poort die schijnbaar betekenisloos in het water staat. En aangezien de meester de wijsheid in pacht lijkt te hebben, kun je je niet anders voorstellen dan dat zijn pupil in heilig ontzag zijn weg volgt. In het huis op het eiland staat ook een zinloze deur, zonder muren ernaast, waar de leerling toch altijd doorheen loopt om van het ene naar het andere deel van de kamer te gaan.

Dat het liefde is die dit vanzelfsprekend samenzijn doorkruist als de jongen volwassen wordt, is geen toeval want liefde is wat tussen beide mannen ontbreekt, en welbewust. ,,Lust wakkert het verlangen tot bezit aan en dat wakkert het verlangen tot moord aan'', zegt de meester als een depressief meisje op het eiland is gebracht om van haar kwalen te genezen en de jongen zijn taken veronachtzaamt om haar te kunnen bezitten.

Die doorslaggevende rol voor de vrouw in dit paradijselijke oord lijkt een nadrukkelijke verwijzing naar de zondeval, al neemt die voorzover ik weet geen plaats in het boeddhisme in. De mens is in het boeddhistisch wereldbeeld niet moreel slecht, maar eerder blind. Niet zozeer op zoek naar verlossing van het kwaad als wel naar verlichting van zijn onwetendheid.

Door zijn verhaal te vertellen en vorm te geven als een slang die ten slotte in zijn eigen staart bijt, zodat we niet meer zien waar bek begint en staart eindigt, geeft Kim Ki-duk ons het idee dat een individuele mens wel kan worden verlicht, maar dat de mensheid steeds opnieuw dezelfde fouten zal maken.

Net als in The Isle wakkert ook hier het verlangen naar liefde de meest destructieve krachten aan. Het eilandje is er ternauwernood tegen bestand, de natuur wel en het geloof ook. De mensen niet. Meester en leerling boeten beiden voor hun rol in dit drama.

De symboliek daarvan, de vergankelijkheid van de mens, die vluchtig is als de seizoenen, tegenover de onvergankelijkheid van de natuur als geheel, de bergen, het water en de zon, ligt er misschien dik bovenop, maar Kim Ki-duk weet zijn publiek er in die overdonderende lokaties feilloos van te overtuigen.

Spring, Summer, Fall, Winter... and Spring (Bom yeoreum gaeul gyeoul geurigo bom). Regie Kim Ki-duk. Met: Young-min Kim, Yeo-jin Ha, Young-soo Oh, Jong-ho Kim. In: 14 bioscopen.