Spaanse kiezer geen handlanger van Al-Qaeda

De bewering van president Bush dat een stem voor de partij van Aznar een stem tegen terrorisme was, klopt niet, meent Ivo Daalder.

Is het terroristen gelukt de regering van premier José María Aznar, een van Bush' trouwste bondgenoten in de oorlog in Irak, ten val te brengen? Een verrassend groot aantal commentatoren lijkt dat heus te geloven. Velen lijken te denken dat de Spaanse meerderheid die bij de verkiezingen van afgelopen zondag voor de socialistische oppositie stemde (die had beloofd de Spaanse troepen uiterlijk op 30 juni uit Irak terug te trekken), ongewild als handlanger van de terroristen is opgetreden.

Het is waar dat de regerende Partido Popular tot enkele dagen voor de verkiezingen aan kop ging in de peilingen, en deze partij zou naar alle waarschijnlijkheid zijn herkozen als Madrid niet 72 uur voor het begin van die verkiezingen was getroffen door die afschuwelijke bomaanslagen. Maar dat betekent niet dat de kiezers zich uit angst voor de terroristen tegen de regering hebben gekeerd. Het ligt ingewikkelder.

Zij die menen dat de Spaanse kiezers zich door de bommen hebben laten intimideren, gaan ervan uit dat Aznars steun aan de oorlog in Irak berustte op een principiële opstelling achter de door de VS geleide oorlog tegen het terrorisme. Dat is ook de opvatting van president George W. Bush en vele leden van zijn regering, die in een overwinning van Aznars Partido Popular het bewijs zouden hebben gezien dat de aanhangers van het goede gewoonlijk worden beloond.

Nog maar twee dagen voor de verkiezingen had Bush op de Spaanse televisie de loftrompet gestoken van Aznar: ,,Hij is een man die de oorlog tegen de terreur begrijpt, die precies weet wat er op het spel staat en die weet dat wij de terroristen nooit een duimbreed moeten toegeven.'' Met andere woorden: een stem voor de partij van Aznar is een stem tegen de terroristen.

Die analyse heeft echter minstens twee belangrijke gebreken. Bijna 90 procent van de Spaanse bevolking was het niet eens met Aznars besluit om de oorlog van Bush tegen Irak te steunen. Zij zagen die oorlog als een gevaarlijke, destabiliserende, onnodige interventie die waarschijnlijk meer kwaad zou doen dan goed. Hoewel de meeste Spanjaarden de oorzaak van de terroristische aanslagen waarschijnlijk niet zullen hebben gezocht in Aznars steun aan Bush, hebben die aanslagen – enkele dagen voor de verkiezingen – het belang van de kwestie-Irakonderstreept. De opkomst was afgelopen zondag dan ook merkbaar gestegen, met name onder de jongeren, en kennelijk heeft de socialistische PSOE daarvan geprofiteerd.

Een tweede fout in die redenering is de veronderstelling dat de Spanjaarden, net als de Amerikanen, Irak beschouwen als het voornaamste front in de oorlog tegen de terreur. Dat is niet zo. Voor hen, net als voor de meeste Europeanen, staan de oorlog in Irak en de oorlog tegen het terrorisme volkomen los van elkaar. De aanslagen op de treinen bevestigden trouwens – net zoals de eerdere aanslagen in Indonesië, Saoedi-Arabië, Marokko en Turkije – dat de val van Saddam Hussein geen einde heeft gemaakt aan het gevaar van het terrorisme. Integendeel, misschien heeft die het terrorisme wel gestimuleerd – en zo hebben vele Spanjaarden de aanslagen van vorige week opgevat.

De treinbommen hebben de regering in een lastig parket gebracht, waaruit zij heeft proberen te ontkomen door de ETA te beschuldigen, ook al had die Baskische terreurgroep nooit een terroristische daad van deze omvang gepleegd. Zelfs toen de aanwijzingen voor betrokkenheid van Al-Qaeda toenamen, en de onvermijdelijke connectie met Irak politiek gewicht kreeg, hield de regering nog vol dat naar alle waarschijnlijkheid de ETA verantwoordelijk was voor de aanslagen. De meeste Spanjaarden geloofden daar allemaal niets van.

Kortom, de in brede kring heersende vrees dat nu de Spaanse kiezers een trouwe bondgenoot hebben gewipt, de bereidheid van Europa om met de VS samen te werken in de strijd tegen het terrorisme ernstig zal worden aangetast, berust op een verkeerde interpretatie van de recente gebeurtenissen.

Alle Spanjaarden, ongeacht hun politieke kleur – conservatieven zowel als socialisten – zijn eensgezind tegen het terrorisme. Ten slotte is voor hen allen de terreur vele jaren lang een realiteit geweest, en dat geldt ook voor alle andere Europese bondgenoten, nieuw of oud.

De catastrofale omvang van de jongste aanslagen heeft Spanje en alle andere Europese landen duidelijk gemaakt dat terroristen net zo gemakkelijk kunnen toeslaan in Barcelona, Berlijn, Birmingham of Bologna als in Boston of Buffalo. De noodzaak om te komen tot internationale samenwerking op het gebied van wetshandhaving, inlichtingenwerk en, waar nodig, militaire operaties, is nadrukkelijk onderstreept, en Europese ministers hebben dat op een bijeenkomst gisteren bevestigd.

Uit de gebeurtenissen kan nóg een les worden getrokken over het optreden van regeringen in een democratie. Regeringen die de wensen van hun bevolking negeren – en die er ten slotte niet in slagen om die bevolking voor hun zaak te winnen – zullen in de verkiezingen waarschijnlijk de kous op de kop krijgen. Hetzelfde geldt voor regeringen die informatie manipuleren of hun kiezers misleiden.

Het is een les die alle democratische regeringen die graag herkozen willen worden, ter harte moeten nemen.

Ivo Daalder is verbonden aan het Brookings-instituut in Washington