Jongens

In het bos waren een stel jongens van een jaar of vijftien gepasseerd: lawaaiig, met z'n drieën naast elkaar, slingerend over de weg. Ik fietste achter hen aan. Wat angstig telde ik in gedachten m'n geld voor het geval ze mij op dat eenzame pad lastig zouden vallen. Het idee dat ze zouden kunnen stoppen en klieren lokte me werkelijk niet aan.

En jawel, daar sprongen ze al van hun fiets. Ze scharrelden een beetje achter de bomen. Ik wilde me niet laten kennen en zette dapper door.

,,Mevrouw, mevrouw'', trokken ze mijn aandacht, ,,kijk, zes reeën.'' Ik reageerde met: ,,Waarachtig!'' en stapte af. Toen keken we naar de dieren, samen.