Jeugd hoofdstad vaak in inrichting

De Amsterdamse jeugd is bovengemiddeld vertegenwoordigd in de justitiële jeugdinrichtingen (JJI). Daar komt 12,5 procent uit Amsterdam, terwijl hun relatieve aandeel in het totaal aantal minderjarigen in Nederland 3,9 is. Jonge Rotterdammers tekenen voor 10,5 procent van de JJI-populaties, terwijl zij landelijk slechts 3,5 procent van de minderjarigen uitmaken.

Daarnaast maken allochtone minderjarigen relatief vaker van de jeugdzorg in Amsterdam gebruik dan hun aandeel in de bevolking zou rechtvaardigen, ruim vijftig procent. In Rotterdam is dit in mindere mate het geval.

Dat zijn enkele bevindingen in het rapport Slechter af in de stad. In beide steden wonen bovengemiddeld veel allochtonen, in Amsterdam 38 procent, in Rotterdam 36 procent. Landelijk is dit 17 procent.

In opdracht van de bestuurscommissie jeugdzorgverlening van het Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA) onderzocht het onderzoeksbureau PI-Research de vraag waarom er in de stad Amsterdam meer ondertoezichtstellingen worden uitgesproken dan in Rotterdam en de omgeving van beide steden. Het ROA verdeelt de gelden die door het rijk worden vrijgesteld voor de jeugdzorg. Het is voor het eerst dat een poging is gedaan het cijfermateriaal te gebruiken van rechtbanken, raden voor de kinderbescherming, bureaus Jeugdzorg en gezinsvoogdij-instellingen in deze twee regio's.

De rechtbank spreekt een ondertoezichtstelling (OTS) uit wanneer de geestelijke en of lichamelijke ontwikkeling van een minderjarige wordt bedreigd en andere middelen hebben gefaald of dreigen te falen. Doel van een OTS is ouders tijdelijk ,,met gezag te ondersteunen'', net zolang tot die ouders de bedreiging van de ontwikkeling van hun kind hebben afgewend.