Geschiedenis

Het verleden groeit geleidelijk om een mens heen, schreef de Engelse schrijver en criticus John Berger: like a placenta for dying. Een onvergetelijk, liefdevol beeld, die moederkoek van herinneringen en verhalen die steeds maar dikker wordt, en ons voedt tot het tijd is om afscheid te nemen. Het is de mooiste kant van het ouder worden. Op een dag is het je laatste troost.

Maar in een welvarende, geïndustrialiseerde samenleving staan zulke zachte dingen (vooral als ze ook nog gratis zijn) niet hoog aangeschreven. Ja, veel wijst er op dat speciaal Nederland een gestoorde relatie heeft met het verleden. James Kennedy, een Amerikaans historicus verbonden aan de VU, sprak in deze krant van een ,,cultus van de vernieuwing'' die Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog in zijn greep heeft. Hij schetste, met groot gelijk, een land waar het verlangen om iets te bewaren wordt beschouwd als een hele vieze kwaal: behoudzucht.

Daarom is dat museum van de Nederlandse geschiedenis wel een goed idee. Er is zoveel te vertellen. Maarten van Rossem stelde in de Volkskrant voor om het museum onder te brengen in het Paleis op de Dam. Dat is goed – al was het maar om te voorkomen dat we weer zo'n mensvijandig gebouw van Rem Koolhaas krijgen. Wat ik mij afvraag is alleen wat er in getoond zou moeten worden, en hoe. Je hebt namelijk twee soorten geschiedenis. Die van de trots, en die van de nederigheid.

De trotse geschiedenis leert ons hoe dit kleine land dankzij kloek en gematigd beleid tot een wonder van welvaart en liberalisme werd, tot een land waar handel, kunst en wetenschap bloeiden. Zij wijst op het belang van de vrede van Munster en Thorbeckes grondwet.

De andere soort geschiedenis is een stuk minder overzichtelijk. Die gaat over hoe het voelde om op een bultige strozak te slapen, en om als je 's avonds wilde schrijven, aangewezen te zijn op het licht van een piepklein, walmend vlammetje. Over wat een groentewinkel in 1800 te koop had, en wat voor ondergoed de mannen die de Vrede van Munster sloten, eigenlijk aan hun lijf hadden. Over onverbiddelijk standsbesef en over verliefd zijn zonder telefoon.

Natuurlijk heb je ze allebei nodig. Langzamerhand lijkt iedereen het er weer over eens te zijn dat een raamwerk van feiten en jaartallen in je hoofd onmisbaar is om de boel een beetje in perspectief te krijgen. Maar ontroerend en opgetogen-makend is vooral die andere geschiedenis. Het zou vreselijk zijn als die tussen de muren van dat nieuwe Huis der Historie niet tot haar recht kwam. Collega Jan Kuitenbrouwer, altijd goed voor een rake term, spreekt dan wel van canonvrees, van de wijdverbreide angst om een hiërarchie aan te brengen in feiten – maar het mooie van de nieuwere geschiedschrijving is nu juist dat ook schijnbaar onbetekenende dingen erin tot hun recht komen.

En dan vraag ik mij toch weer af of het wel een huis moet worden, dat nieuwe museum. Nergens in dit land wordt het gevoel van de geschiedenis beter overgebracht dan in de bestaande openluchtmusea, al dan niet met acteurs-bewoners. En de televisie: slaagt Andere tijden er niet telkens weer in om fantastische reconstructies van denken en doen in het verleden te tonen? Misschien moet het wel een tv-zender worden en geen museum. Of een instituut, een werkplaats?

Hoe dan ook, op deze plaats zult u mij er niet meer over lezen. De Achterpagina wil zich ook vernieuwen, en deze column behoort vanaf nu tot de geschiedenis. Lang leve de geschiedenis.