Een wondermiddel met veel bijwerkingen

Morgen discussieert de Kamer over het afnemen van DNA-materiaal bij verdachten. Maar nodig is vooral dat juristen zich bewust zijn van de beperkingen van DNA.

DNA-bewijs is vaak een van de sterkste pijlers in rechtszaken. Is er op de plaats van het delict of op het slachtoffer DNA van een verdachte aangetroffen, dan is het bij wijze van spreken slechts wachten op een veroordeling. Maar, zegt DNA-deskundige Peter de Knijff van de Universiteit Leiden, het wondermiddel heeft nog vele bijwerkingen. Zelfs bij DNA-bewijs is het de vraag hoe relevant het is. Hoe en wanneer is het DNA op iemand of iets terecht gekomen? ,,Veel vragen kunnen we nog niet beantwoorden en dan blijft het pure speculatie.''

De Knijff verschijnt regelmatig als deskundige in rechtszaken. Langzaam heeft hij het probleem van DNA-sporen als bewijsmateriaal zien verschuiven. Tien jaar terug luidde de vraag hoe betrouwbaar een DNA-profiel was. Daar bestaat inmiddels geen twijfel meer over. De vraag is volgens hem nu hoe rechters en advocaten DNA-sporen interpreteren. En daar gaat volgens hem nog vaak iets fout. ,,Het gebruik van DNA in rechtszaken is pas betrouwbaar als de partijen zich ook bewust zijn van de zwaktes er van.''

Het gebeurt nog te vaak, zegt hij, dat hij na ondervraging voor de rechtbank vertwijfeld naar huis gaat. Hebben ze mijn verhaal wel goed begrepen? Zien ze de beperkingen wel? Die vragen zouden er niet mogen zijn, vindt hij. Helemaal niet omdat de ,,competentie van rechters en advocaten'' in veel zaken cruciaal is voor een verdachte. Vaak gaat het om jaren celstraf.

Als voorbeeld noemt hij de Puttense moordzaak in 2002. Hij was opgeroepen als deskundige en gaf uitleg over een schaamhaar die aangetroffen was op de trui van de vermoorde Christel Ambrosius. Uit deze haar kon alleen nog een zogeheten mitochondriaal DNA-profiel worden opgesteld. En dat profiel heeft beperkingen. Het kon afkomstig zijn van een van de verdachten, zei De Knijff, maar ook van andere personen: familieleden en mensen uit dezelfde regio. Het openbaar ministerie bracht echter meteen naar buiten een ,,keihard daderspoor'' te hebben. In de trein op weg naar huis hoorde hij dit, waarna hij thuis direct een fax naar het OM stuurde om de onjuiste conclusie recht te zetten. Gelukkig begreep het Hof in Leeuwarden wel de beperkingen van dit DNA-profiel.

Ook dierenactivisten zien in dat DNA-bewijs niet zaligmakend is. Een van hun tactieken is om voor een geplande actie met een zak naar een zwembad te gaan. In de douche vissen ze haren uit een putje en die verdwijnen met de kleren voor de actie in de zak. De politie vindt later op de actieplek haren van mensen die niets met de actie te maken hebben.

Ondanks deze `bijwerkingen' is het gebruik van DNA in de rechtszaal al jaren aan een opmars bezig. Morgen vergadert de Tweede Kamer over het verruimen van de bevoegdheid om celmateriaal af te nemen bij verdachten. Sinds eind 2001 is het door een wetswijziging al mogelijk om onder dwang DNA af te nemen van verdachten van een misdrijf waarop vier jaar of meer staat. De Kamer zal met minister Donner (Justitie) bespreken om dit ook bij mensen te doen die in het verleden veroordeeld zijn.

Het DNA-profiel dat aan de hand van het afgenomen celmateriaal wordt gemaakt, wordt opgeslagen in de databank van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Rijswijk, waarin ook DNA-sporen zitten. Op dit moment bevat deze databank circa 14.500 DNA-profielen, waarvan ruim 3.300 van verdachten en veroordeelden en de rest profielen van sporenmateriaal.

Het voorstel van Donner juicht De Knijff toe, omdat de databank een ,,uiterst effectief opsporingsmiddel'' is. ,,Je voorkomt er geen misdrijven mee, maar je lost ze met die databank wel sneller op.'' Hoe meer DNA-profielen erin zitten, hoe beter. Het eerlijkst zou volgens hem zelfs zijn om ,,er gewoon iedereen in te stoppen''.

In de toelichting op het voorstel benadrukt Donner dan DNA-onderzoek bij verdachten geen ,,wondermiddel'' is. ,,DNA-onderzoek kan slechts bewijzen of bevestigen dat aangetroffen celmateriaal behoort tot een bepaalde persoon. DNA-onderzoek alleen geeft niet de zekerheid dat die persoon ook inderdaad op de plaats van het misdrijf aanwezig is geweest of dat hij de dader is'', zo schrijft de minister.

Dat is precies wat De Knijff altijd benadrukt. ,,Helaas is dit inzicht bij de rechterlijke macht en ook de advocatuur lang niet altijd aanwezig'', verzucht De Knijff. De kenniskloof tussen ,,de juridische en wetenschappelijke'' wereld ziet hij steeds groter worden.

Het lijkt zo simpel, geeft hij toe. Iemand wordt vermoord en op zijn kleding vindt de politie DNA-materiaal van een man. Die geldt daarmee als verdachte nummer één, andere verdachten zijn niet in beeld. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte de gewoonte heeft om `met consumptie te spreken', hij strooit als het ware DNA-materiaal in het rond. De rechter wil dan van de deskundige weten of het bewijs relevant genoeg is om een veroordeling te rechtvaardigen. Ofwel: is het aangetroffen DNA een daderspoor?

En dat is juist een van de vragen die wetenschappers niet kunnen beantwoorden, maar die wel wordt gesteld door de rechters. De Knijff: ,,Met harde wetenschap kun je niet aantonen hoe en wanneer het speeksel van die man op het slachtoffer terecht is gekomen.'' Want hoe kan hij iets zinnigs zeggen over DNA-materiaal als hij niet weet hoe en wanneer het aangetroffen is? Het enige wat hij eigenlijk doet is profielen vergelijken. ,,Alleen een rechercheur weet hoe een spoor is veiliggesteld.''

De Knijff pleit er daarom voor dat rechters, advocaten en officieren van justitie in de toekomst beschikken over fundamentele basiskennis forensisch DNA-onderzoek. In elke rechtszaak waarin DNA een rol speelt zou ook een ,,soort toetsingsmoment'' moeten komen. Dan moet blijken of alle partijen over dezelfde DNA-informatie beschikken en deze ook begrijpen. Gebeurt dit niet, dan bestaat volgens De Knijff de kans dat de ondervraging van DNA-deskundigen in de toekomst een ,,schertsvertoning'' wordt, met vragen over ,,irrelevante aspecten''.