De vrees voor een bangelijk Europa

Tussen de Verenigde Staten en Europa gaapt na `Madrid' weer een brede kloof. Europa wordt van bangelijkheid beticht.

München 1938. De vergelijking kon niet uitblijven. Gisteren was het zo ver. Robert Kagan, schrijvend in The Washington Post, vroeg zich naar aanleiding van de Spaanse verkiezingsuitslag af of Europa aan alle eisen van Al-Qaeda tegemoet zal komen. Om vrede te kopen. Net als Chamberlain bij Hitler.

Over Amerika wordt zoiets niet gevraagd. Washington hoefde niet gewekt te worden door de treinbommen van Madrid. Voor zover nodig bevestigde president Bush gisteren nog eens dat Amerika pal staat. En veelbetekenend kijkend naar zijn gast van de dag, premier Balkenende, voegde hij er aan toe: ,,Wij zullen mét onze vrienden zorgen dat de terroristen hun verdiende lot niet ontlopen.''

In het zicht van een mogelijke Spaanse terugtrekking uit Irak werd de vraag wat er na juli met het Nederlandse contingent gebeurt even relevant. De premier had duidelijke instructies en gaf geen krimp op de dag dat een eerste Nederlands slachtoffer in Irak viel. Daarna wilde de Amerikaanse pers vooral weten wat Bush vond van presidentskandidaat Kerry, die zou hebben gezegd dat menige buitenlandse leider wil dat hij wint in november.

President Bush hapte en moedigde zijn uitdager aan man en paard te noemen. Een plaagstootje na de klappen die ondergeschikten al hadden uitgedeeld naar de Democraat. Het verhaal is te onnozel voor uitvoerige herhaling, al was het maar omdat Kerry niet heeft gezegd waar Colin Powell, Dick Cheney en George W. Bush hem op aanvallen.

Waar het om gaat is dat alles verkiezingspolitiek is in het Washington van 2004. In zijn nieuwe campagne-tv-reclame schildert Bush de Democratische senator af als `fout in defensiezaken'. De Kerry-campagne kan alle beweringen weerleggen, maar het idee van een softe, bijna-Europese ja-en-dan-weer-nee-zegger wordt systematisch uitgezet. Oogstdatum 2 november.

De grote vraag na de aanslagen van Madrid is hier intussen: wie kan het Spaanse `3/11' het beste naar zijn hand zetten? Het antwoord op korte termijn is duidelijk: president Bush, die op economische en sociale punten achterloopt op Kerry, maar volgens een nieuwe peiling het meeste vertrouwen bij Amerikanen geniet als het gaat om de oorlog in Irak en de strijd tegen terrorisme (en het beleid ten opzichte van homo's).

`Spanje' is in de Verenigde Staten voor meer dan alleen het conservatieve deel van de publieke opinie een manlijkheidstest.

De door München belaste term `appeasement' of concessiepolitiek komt steeds terug. De bitterheid wordt uitgedrukt door koppen als `De verlanglijst van Al-Qaeda' (David Brooks, The New York Times), `Spanje stemt op geweld' (San Francisco Chronicle).

De transatlantische kloof ligt weer wijd open. Een enkeling noemt het risico dat Al-Qaeda de Amerikaanse verkiezingen dit jaar ook op gewelddadige wijze zal willen beïnvloeden, maar de meeste commentatoren geven zich voorlopig over aan een soort cultuurpessimisme dat Europese reacties nauwelijks afwacht en vast aanneemt dat het tussen Amerika en het bangelijke Europa nooit meer wat wordt.

Alleen in echt linkse bladen en rubrieken wordt de schuld bij het Amerikaanse beleid gezocht. Dat gebeurt ook bij libertair rechts, zoals het Cato Instituut, een denktank die van het begin meende dat de Amerikaanse krijgsmacht niets te zoeken had in Irak.

De gevolgen op wat langere termijn van deze opleving van de terreur zijn onzeker. President Bush kan na `Spanje' minder grandioos op zijn wereldwijde coalitie wijzen. Met buitenlandse leiders die hem steunden is het bij verkiezingen niet goed afgelopen. Dat bleek in Duitsland in 2002, in Zuid-Korea in 2003 en nu in Spanje. Regerende politici in Polen en Australië, en op enige termijn Groot-Brittannië, Italië en Nederland hebben daar mee rekening te houden.

John Kerry heeft zich tot nu toe onthouden van veel commentaar op het Spaanse `911'. Hij wordt al dagen achtervolgd door het schandaaltje over buitenlandse leiders die hem zouden steunen, maar wier naam hij niet wil noemen. Toch is de Spaanse uitslag voor hem wel uit te leggen als een kiezersoordeel over de operatie-Irak, die de verdreven premier Aznar zo ijverig steunde. Een voorbeeld van de Bush-manier van buitenlands beleid bedrijven, hier door critici aangeduid als `my way or the highway'.

Voor John Kerry was het gisteren eigenlijk een feestelijke dag. Hij won de voorverkiezingen in Illinois. Geen verrassing, maar Kerry heeft nu het vereiste aantal gedegeleerden om ook rekenkundig zeker te zijn van zijn kandidatuur voor de Democraten.

`Nous sommes tous des Américains', schreef hoofdredacteur Jean-Marie Colombani in Le Monde daags na de aanslagen van 11 september 2001. Nadat hij zich vorige week in The Wall Street Journal afvroeg of dat nog steeds zo was, kreeg hij een scheepslading lelijks over zich heen op de brievenpagina. Een aanzienlijk deel van Amerika heeft er geen zin meer in, wachten tot Europa `het' begrijpt.

Velen in Washington die geïnteresseerd zijn in veiligheidsbeleid vrezen dat Europa `post-Madrid' teruggrijpt naar vredesinstincten in plaats van zich fermer te wapenen. Terwijl zij zelf alleen maar meer geloven in de taal van militaire macht. Het is alsof opnieuw moet worden vastgesteld wie de Koude Oorlog ook al weer had gewonnen, die geduldige Europeanen of die onverzettelijke president Reagan?

Ook vrienden van de regering geven een deel van de schuld voor de vermeende Europese zwakte aan Team-Bush. Noch Colin Powell noch de president zelf heeft vóór de oorlog in Irak veel meer dan lippendienst bewezen aan hun gehechtheid aan West-Europa en de gedeelde waarden. Door te gokken op het schimmige `Nieuw Europa' van de voortrekkers Berlusconi, Aznar en enige geselecteerde ex-Oost-Europeanen, met Tony Blair als ere-aangever, ontsloeg Bush zich van het moeizamer handwerk van de dagelijkse diplomatie.

Anne Applebaum, columniste van The Washington Post met meer dan één been in de Nieuw Europa-gedachte, schrijft vandaag: ,,Het kan zijn dat we nog winnen in Irak. Misschien zien we daar wel een relatief stabiele, relatief democratische samenleving te voorschijn komen, die relatief vreedzaam met zijn buren samenleeft. Maar als we al doende `Europa' kwijt raken is het met recht een Pyrrhus-overwinning.''

KAGAN: pagina 10