Suze en Lucas

Onlangs overleed Suze B. Bij haar dood bleek de vrouw zeventig jaar achtereen in haar agenda op half maart dezelfde notitie te hebben gemaakt.

Toen ik veertig jaar geleden bij het Haarlems Dagblad werkte en als vrijgezel op een huurkamer woonde, gebruikte ik het avondeten wel eens bij de St. Vincentius Vereniging, waar ze maaltijden verstrekten aan allenige types die weinig te besteden hadden. Je at er aan lange houten tafels waar een zeil over lag. Daar leerde ik Suze B. kennen, die at er iedere dag. Suze werkte ook bij het Haarlems Dagblad, al jaren. Zij zat daar achter het loket waar de mensen hun kleine advertenties kwamen opgeven. Het was een al wat oudere vrouw met een goedhartig karakter en een omvangrijke boezem. Dat ik óók bij de Vincentius Vereniging kwam eten, vond zij prachtig.

Maar lang ben ik er toch niet blijven komen. Dat kwam zo. Toen ik op een keer het gebouw van de krant binnenkwam op weg naar de redactie om een gewichtig stukje te gaan schrijven, duwde Suze, die mij had zien lopen, de mensen die voor haar loket in de rij stonden opzij, boog zich met haar omvangrijke boezem uit haar loket, en riep mij toe: ,,Meneer Sorgdrager, we hebben kip vanavond!'' Toen ben ik toch een hele tijd niet meer gekomen.

Twee jaar geleden heb ik dit verhaaltje op een zondagmorgen verteld voor de VPRO-radio. Suze had ik er in opgevoerd zonder veel plichtplegingen, want ik dacht `die is toch allang dood'. Maar de volgende dag belde ze mij op en meteen aan de telefoon al bleek zij een enig mens (bij de krant had ik haar eigenlijk nauwelijks gekend.) Ze was nu vijfennegentig, vertelde ze. Ze had mij gehoord en ze had er om moeten lachen. Of ik niet eens bij haar op bezoek wilde komen, vroeg ze.

Dat heb ik gedaan en in de afgelopen twee jaar heb ik die bezoekjes een paar keer herhaald. Ze woonde in een flatje in Haarlem. Op de deur hing een briefje dat de aanbeller een beetje geduld moest hebben. Want Suze kwam naar de deur met een looprekje. Ze was kromgegroeid als een hoepel, maar negeerde dat ongemak met een vitaliteit die inspirerend op mij werkte. ,,Hoe oud ben jij nu'', vroeg ze. ,,Vijfenzestig.'' ,,He heerlijk'', zei ze, ,,geniet er maar van.''

Ze zat vol humor en ze beschikte over een ijzeren geheugen. De mensen van de krant van vroeger wist zij pittig te karakteriseren, maar in haar oordelen over hen was zij goedmoedig. Zij was zo iemand met wie je zonder valse sociale franje meteen tot de kern kon komen. ,,Een keer zal Petrus wel met z'n sleutels rammelen, maar ik hoor nog niks'', zei ze tegen me bij mijn eerste bezoek. Ze heeft mij hele stukken uit haar leven verteld.

Zij was geboren in 1906 in Amsterdam, waar haar vader een café had aan de Spuistraat. In 1909 vertrok het gezin naar de Verenigde Staten, waar haar vader in Nevada een bioscoop begon. Dat lukte niet erg en een jaar later kwamen ze terug en gingen in Groningen wonen. In 1912 vertrok het gezin naar Leipzig, waar haar vader bedrijfsleider werd in een likeurstokerij. Maar door de Eerste Wereldoorlog liep ook dat mis, want de oorlogsindustrie had de koperen leidingen nodig om er kogels van te maken. Na de oorlog keerden ze terug en gingen weer in Groningen wonen. Maar Suze sprak sindsdien wel vloeiend Duits.

In 1924 verhuisde het gezin naar Haarlem, waar haar vader een zaak begon aan het Stationsplein en waar Suze bij het Haarlems Dagblad ging werken. Daar is zij gebleven tot haar pensionering in 1971; ze heeft er dus gewerkt van haar achttiende tot haar vijfenzestigste. Suze is altijd ongetrouwd gebleven.

Op het buffet in haar flatje stond een foto van een jonge man, over wie zij sprak als haar dierbare verloofde, al geloof ik niet dat zij dat woord ooit heeft gebruikt. Maar ze vertelde steeds over hem. Hij was militair vlieger. In de jaren twintig draaide hij met zijn toestel rondjes voor haar om de toren van het krantengebouw van Joh. Enschedé aan het Klokhuisplein in Haarlem. En soms stuurde hij haar wel drie keer per dag een kaartje van steeds weer een ander vliegveld. Hij heette Lucas. In 1932 is hij als marinevlieger in Indië tijdens een overmoedige looping met zijn toestel neergestort.

Begin dit jaar kwam de rouwkaart die Suze's overlijden meldde. Op Driehuis-Westerveld vertelde een neef dat ze in Suze's flatje een dik pak brieven van Lucas hadden gevonden. Die brieven heeft de familie ongelezen samen met Lucas' portret in de kist gelegd.

Waar de familie wel in had gelezen was Suze's agenda, omdat daar zo veel adressen in stonden. Op 13 maart had ze in die agenda geschreven: `Lucas verongelukt'. Terwijl de neef met gloed vertelde dat Suze ,,hun enige echte tante'' was geweest, bedacht ik dat zij dus meer dan zeventig jaar lang ieder jaar opnieuw bij het in gebruik nemen van haar nieuwe agenda op de datum van 13 maart daarin diezelfde tekst moet hebben geschreven.

Voor haar crematie had Suze maar één ding verordonneerd: als motto moest boven de overlijdensadvertentie komen te staan `Het leven wordt vóóruit geleefd en achteraf bekeken'. Sindsdien staar ik af en toe naar die tekst en dan vraag ik mij steeds opnieuw vergeefs af wat ik daarvan moet denken.