Onderwijs moet niet neutraal zijn

Dat leerlingen op een openbare school zitten, is geen voldoende reden om hen in hun religieuze uitingen te beperken, meent Govert den Hartogh.

In de Republiek der Verenigde Nederlanden, voor 1795, mochten de katholieken, de doopsgezinden en de remonstranten kerken bouwen, mits die van buiten niet herkenbaar waren. De staatsgodsdienst had een monopolie op zichtbaarheid. In 1795 kwam de vrijheid van godsdienst, en daarna verrezen de triomfalistische katholieke kathedralen tot in de kleinste gehuchten.

Volgens Joost Eerdmans en Erik Schreijen (NRC Handelsblad, 3 maart) moet het recht op een neutrale staat in de Grondwet worden opgenomen om botsingen met andere grondrechten te kunnen overleven. Volgens hen is het recht van de burger op een neutrale staat een hoger grondrecht dan de vrijheid van godsdienst. Maar wat zij met een `neutrale staat' bedoelen, lijkt verrassend veel te lijken op de toestand van voor 1795: een staat die aan één levensbeschouwing een monopolie op zichtbaarheid in het openbare domein toekent.

Het is op zichzelf geen gekke gedachte dat de burger een belang zou kunnen hebben bij een neutrale staat die niet samenvalt met het belang om zijn religie vrijelijk te kunnen uitoefenen. De homoseksuele delinquent die bij zijn berechting met een hoofddoekje geconfronteerd wordt, zal algauw menen dat hij pech gehad heeft, en dat is een goede reden om de kledingcode van rechters neutraal te houden. Als daarentegen de ambtenaar die mij een paspoort uitreikt een hoofddoek draagt, heb ik geen enkele reden te vrezen voor de kwaliteit van het paspoort.

Maar Eerdmans en Schreijen gaan nog verder: zij willen ook de kledingcode van leerlingen en studenten op openbare scholen neutraal houden. Dat de niqaab en de chador alleen om pragmatische redenen worden verboden (omdat het lastig zou zijn bij het lassen of gymmen) en niet met een beroep op de neutraliteit van de staat, is in hun ogen een zwaktebod.

Leerlingen en studenten zijn, ook als zij op school zitten, privé-personen en geen vertegenwoordigers van het staatsgezag. Maar kennelijk is alleen al het feit dat zij zich op een door de staat beheerd domein, de openbare school, bevinden, reden genoeg om hun de uiting van religiositeit te verbieden. De openbare school is, zeggen Eerdmans en Schreijen, ,,een school met een niet-religieuze identiteit'', oftewel een ouderwets verzuilde school zonder de bijbel. Als overtuigd atheïst zou ik weigeren mijn kinderen naar zo'n school te sturen, omdat hun daar niet wordt aangeleerd om zelfstandig na te denken of zelf te beoordelen wat voor een geloofsovertuiging zij willen aanhangen.

Het openbaar onderwijs moet niet proberen neutraal te zijn, maar pluriform en tolerant. Wel vervullen onderwijzers een taak die hun door de politieke gemeenschap is toevertrouwd en die daarom grenzen stelt aan de manier waarop zij hun levensbeschouwelijke opvattingen uiten. Zo mogen zij geen bekeerlingen maken of leerlingen die affiniteit met hun opvattingen voelen, niet bevoordelen. Tegelijkertijd is er geen reden waarom zij niet onbevreesd voor hun overtuiging zouden uitkomen.

Volgens Eerdmans en Schreijen delft de waarde van de neutrale staat in confrontaties met sociale grondrechten, zoals vrijheid van religie, het onderspit. In hun artikel beroepen zij zich op de befaamde uitspraken van Fortuyn over artikel 1 van de Grondwet. Maar daarmee zetten zij de zaak op zijn kop. Fortuyn wilde individuele vrijheidsrechten in bescherming nemen tegen een opgelegde staatsmoraal: ,,Als artikel 1 u verbiedt mij om mijn homoseksuele levenswijze openlijk te veroordelen, dan moet artikel 1 maar afgeschaft worden.'' Dat was een fraaie pose die herinnerde aan Voltaire:,,Ik verafschuw uw opinies, maar zal tot de dood strijden voor uw recht ze te uiten.''

Helaas bleek het al gauw alleen maar een pose te zijn. Maar de LPF en Eerdmans hebben die weg radicaal verlaten op het ogenblik dat ze besloten de aanklacht tegen de critici van Fortuyn wegens `haat zaaien' te ondersteunen. En nu willen Eerdmans en Schreijen de individuele vrijheidsrechten nog verder beperken omwille van het monopolie op zichtbaarheid van hun ongodsdienstige staatsgodsdienst.

Wat zijn hiervan de gevolgen? Als de neutraliteit van de staat in de Grondwet staat, wordt partijvorming op confessionele grondslag dan ook verboden? Zelfs bij het CDA schijnt er een lijn te lopen, hoe vaag en kronkelend ook, tussen religieuze overtuiging en politiek handelen. Dat zou dan toch ongrondwettig zijn?

Het is interessant om te zien dat het voorstel van Eerdmans en Schreijen past in een bredere trend van nieuw activisme aan de rechterzijde. Zo heeft Bolkestein in zijn (anti-)Rawls lezing van enkele maanden geleden verklaard dat liberalen geloven in de universeel geldige waarde van de individuele zelfbeschikking. Bij hun streven alle mensen aan dat heil deelachtig te laten worden, zijn ze daarom best bereid hun vrijheidsrechten opzij te zetten. Eind vorige maand heeft de VVD-fractie in een nota Bolkesteins ideeën in concrete voorstellen voor het integratiebeleid vertaald. Een van de consequenties is dat scholen die hun leerlingen niet in voldoende mate opvoeden tot autonome individuen, maar moeten worden gesloten.

Bolkesteins motief is paternalistisch (,,Het is slecht voor je ontwikkeling tot vrij mens om een hoofddoekje te dragen.''', bij Eerdmans & Schreijen lijkt het meer imperialistisch (,,Wij willen in het domein van de staat niet met hoofddoekjes worden geconfronteerd.''), maar eigenlijk blijft het in hun stuk fundamenteel onduidelijk wat er nu precies zo mooi is aan de neutrale staat. En het meest eigenaardige van al deze Jacobijnse zendingsdrang is wel dat het zich alleen lijkt te richten op allochtonen.

Govert den Hartogh is hoogleraar Ethiek aan de Universiteit van Amsterdam.