Normen en kiezen

Naar het schijnt doet het CDA het in de peilingen even iets minder slecht, de VVD groeit wat en D66 blijft in haar beperkte omvang min of meer constant. De PvdA doet het heel goed, al leidt dat niet tot een opvallende feeststemming. Zij houdt zich vrij stil, afgezien van de met haar oppositierol samenhangende kritische geluiden. Wat de indruk kan wekken dat zij met haar vrijwel roerloos verkregen enqûetewinst voorlopig tevreden is. Mogelijk telt daarbij ook dat de PvdA na haar zeer zware verkiezingsnederlaag van mei 2002 vervolgens begin 2003 weliswaar in Tweede-Kamerzetels nagenoeg is gecompenseerd door Wouter Bos, maar dat zij haar gevoel van katterigheid en onzekerheid na Pim Fortuyns paradoxaal-posterieure inbraak op de kiezersmarkt nog niet kwijt is. Bovendien is er, een jaar na de mislukte poging om een centrum-links kabinet te vormen, het politieke ongemak dat de grootste oppositiepartij inhoudelijk nog vaak `vastzit' aan de inhoud van deelakkoorden die zij toen had willen sluiten.

Die peilingen zijn natuurlijk niet helemaal zonder betekenis, al was het maar omdat partijen die het daarin slecht doen er weinig voor voelen om een crisis te laten ontstaan en vervroegd bij de kiezers langs te gaan. Kortom, de echte klappen vallen pas bij de volgende Kamerverkiezingen, waarschijnlijk dus pas in 2007. Voor de regeringscoalitie betekent dat dat zij moet hopen dat tegen die tijd haar saneringsbeleid, begunstigd door herstel van de internationale economische conjunctuur, vruchten is gaan afwerpen.

Anders gezegd: alleen als haar beleid straks een aantoonbaar gunstig resultaat heeft gehad, heeft zij een (goede) kans bij de kiezers. Die voorwaarde lijkt alleszins redelijk, al zullen PvdA-strategen zich achter gesloten deuren wellicht bezorgd afvragen wat de uitkomst van zo'n Balkenende-II-scenario straks voor hun partij gaat betekenen. De PvdA, potentiële regeringspartij, staat hier voor een dilemma dat SP of GroenLinks zo niet kennen. Zij mag niet hopen, zeker niet hardop, dat de Balkenende-coalitie er voor Nederland een knoeiboel van maakt, maar zij kan straks electoraal zelf op de blaren komen te zitten als het aanpassings- en saneringsbeleid van de coalitie slaagt.

Interessant voor de iets langere termijn is trouwens ook – mocht het beleid van het tweede kabinet-Balkenende slagen – welke partij daarvoor dan wel het meeste krediet krijgt. Het gaat er hier nu niet om dat zijn naamgever, ondanks zijn twee achtereenvolgende successen in de stembus, voorshands bij velen stevige ergernis of woede oproept met zijn beleid. En ook niet om verwijten aan zijn adres dat hij met dat beleid het `sociale gezicht' van het CDA zou schaden, want dat zulke verwijten te verwachten waren kon iedereen in zijn coalitie, juist gezien het gekozen beleid, weten.

Evenmin gaat het er hier nu om dat JPB persoonlijk intussen, als nationale Harry Potter, in steeds bredere kring een voorwerp van algemene lacherigheid of zelfs gêne is geworden. Al kan dat nog een probleem worden, straks in 2007, want welke partij laat graag haar lijst aanvoeren door iemand die door zijn manier van spreken en optreden bij grote delen van het electoraat, terecht of niet, op de lachspieren werkt? Nee, het gaat mij hier nu om de vraag of het Balkenende en zijn CDA gaat lukken om zich bij gezichtsbepalende thema's, zeg de stand van de economie of de zorg en de vreemdelingen- en integratiepolitiek, de VVD voldoende van het lijf te houden, als er vaders voor het slagen van beleid worden aangewezen. Die vraag kan, nog afgedacht van de persoon Balkenende, knap lastig worden.

Politieke speerpunten van het CDA zeg `normen en waarden' en `meer eigen verantwoordelijkheid' lijken om allerlei redenen electoraal niet al te sterk. Als thema's lijden zij eronder dat iedereen het daarmee in het algemeen wel eens is. Daardoor kunnen zij moeilijk opwegen tegen concretere, bij grote kiezersgroepen prima in het gehoor liggende uitspraken over vreemdelingen- en integratiebeleid of over economische saneringsmaatregelen, die de VVD van nature eerder doet. En voor zover het CDA met zijn bijdrage aan het debat over normen en waarden mede bedoelt: we moeten terug naar de toestand van vóór de jaren tachtig van de vorige eeuw, of als de indruk ontstaat dat dit óók wordt bedoeld, dan is er zelfs een kans dat dit thema voor het CDA als boemerang gaat werken. En dat heel veel kiezers zeggen: wij erkennen de noodzaak van economische sanering en herstel van een zeker sociaal-psychologisch ferment in de samenleving, we begrijpen desnoods dat er op veel terreinen een ander, steviger arbeidsethos nodig is (wat minister Brinkhorst onlangs ongewoon krachtig bepleitte), maar we willen niet laten tornen aan de individuele en andere vrijheden die in de laatste kwart eeuw verworven zijn. We willen niet terug naar het hok van vroeger, waar onze opa's en oma's ooit huisden. Hieromtrent kan het CDA niet duidelijk genoeg zijn.

In het Duitse weekblad Die Zeit van vorige week schetst Bernd Ulrich een vergelijkbaar probleem van de CDU/CSU, grote zuster van het CDA, die als oppositiepartij slapend rijk wordt doordat de steun voor de rood-groene coalitie van SPD-kanselier Schröder steeds verder afbrokkelt.

In de CDU/CSU wordt sinds het vertrek van kanselier Helmut Kohl in 1998 geweldig om de macht gevochten tussen onder anderen fractie- en partijvoorzitter Angela Merkel van de CDU, de Beierse CSU-premier Stoiber en regionale prinsen als de premier van Nedersaksen, Wulff, en de premier van Hessen, Koch.

Auteur Ulrich tekent de zo op het oog florerende CDU/CSU als een partij die, in de persoon van mensen als Merkel en Wulff, de geliberaliseerde, geïndividualiseerde, geëmancipeerde Duitsers voor zich wil winnen maar tegelijkertijd, in de persoon van Stoiber en Koch, ook conservatieve kiezers die qua normen en waarden naar gisteren terug willen, probeert vast te houden. Volgens Ulrich wordt de machtsstrijd in de top van de CDU/CSU, alsook haar relatieve programmatische onbeweeglijkheid, mede bepaald door die gestructureerde tweeslachtigheid.

Volgens mij zou het CDA er goed aan doen bij gelegenheid eens te kijken naar de oorzaken van de relatieve inertie bij zijn grote zuster. Want kiezen (van opties) gaat soms van au, maar niet kiezen soms nog meer.