Met Amerika voor beter Midden-Oosten

Europa en Amerika moeten niet gescheiden opereren bij het bevorderen van democratie in het Midden-Oosten, maar juist gezamenlijk optrekken. Dat bepleit een transatlantische denktank van zeven experts uit Europa en de VS.

Amerikaanse en Europese leiders hebben het sinds enige tijd over de noodzaak om in ,,het hele Midden-Oosten'' bij te dragen tot meer vrijheid, gerechtigheid en democratie. De Amerikanen zien dit gebied als het belangrijkste strijdtoneel in de oorlog tegen het terrorisme, de Europeanen willen bij hun zuiderburen een stabiel en goed bestuur dat de stroom van illegale migratie en georganiseerde misdaad indamt. Beide partijen aanvaarden het uitgangspunt dat een gewelddadige revolutie of militair ingrijpen in de toekomst het beste kan worden voorkomen door in samenwerking met lokale partners te streven naar een vreedzame, democratische machtswisseling.

Het enthousiasme voor hervorming betekent een wezenlijke beleidsverschuiving. In het verleden is politieke hervorming te vaak uitgebleven, omdat andere belangen voorgingen – zoals de waarborging van een gestage olietoevoer of de verwezenlijking van samenwerking tegen het terrorisme. Maar ondanks de bloemrijke retoriek over de bevordering van de democratie wordt deze nog niet gesteund door concrete actieplannen.

Een serieuze strategie moet drie dingen doen: meer steun verlenen aan de democraten ter plaatse; een beter regionaal kader scheppen dat de democratische ontwikkeling vergemakkelijkt; en ten slotte onszelf zodanig reorganiseren dat we een doeltreffend buitenlands beleid ten gunste van de democratie kunnen voeren.

Ten eerste moeten we inzien dat het Westen weliswaar een beslissende ondersteunende rol dient te spelen, maar dat de verandering uit het gebied zelf moet komen. Onze taak is een beleid op te stellen ter versterking van de politieke krachten die ter plaatse naar een democratische verandering streven – symbolisch en praktisch.

In veel landen zitten de democratische activisten in de gevangenis wegens hun inzet voor de mensenrechten – en toch doen wij weinig om hen te helpen. Een nieuwe strategie zou allereerst een nieuwe standaard kunnen stellen om deze mensen consequent politieke en morele steun te verlenen. Geen hoge Amerikaanse of Europese leider zou het Midden-Oosten moeten bezoeken zonder de mensenrechten aan te snijden en het op te nemen voor die dappere enkelingen die al voor de democratie strijden.

Concreet gesproken moet het Westen zijn directe steun drastisch verhogen aan lokale NGO's en actievoerders (al zal in landen als Egypte eerst de regering moeten worden overgehaald om zodanig de wet aan te passen dat ze ook buitenlandse steun mógen ontvangen). Terwijl de Verenigde Staten nu bijna 400 miljard dollar aan defensie besteden, moet de National Endowment for Democracy het doen met een begroting van zo'n 40 miljoen, waarvan nog maar een fractie in het Midden-Oosten wordt besteed. Washington verdubbelt dit bedrag nu wel, maar we moeten veel groter en stoutmoediger denken – de steun bijvoorbeeld ten minste vertienvoudigen – om werkelijk invloed uit te oefenen. De Europese Unie zou zich van haar kant veel meer moeten inspannen voor de bevordering van de democratie in het kader van een hernieuwde dialoog tussen de EU en de Middellandse Zee-landen. Het zou politiek haalbaar moeten zijn om de gelden voor het MDP (het EU-programma ter bevordering van de democratie) tot zeker 500 miljoen euro per jaar te verhogen.

Dit geld zou op enige afstand van de overheid moeten worden beheerd, om te zorgen dat het niet wordt beknot door diplomatieke druk. Een nieuw te vormen transatlantisch Forum ter bevordering van de democratie zou alle activiteiten in het gebied kunnen coördineren, met inbegrip van de bilaterale programma's die de Europese landen uitvoeren. Verder is nog te denken aan een onafhankelijk Fonds voor democratie in het Midden-Oosten, waaraan de Europese landen en de Amerikaanse regering gelden en expertise zouden kunnen bijdragen.

Naast dit werk aan de basis zouden we door middel van ons handels- en hulpbeleid regeringen moeten aansporen om tot hervormingen te komen en de ruimte voor wettige politieke actie te vergroten. Volgens heldere maatstaven moeten we landen belonen die vooruitgang boeken met democratie en goed bestuur – en bereid zijn landen waarvoor dit niet geldt voorrechten te ontnemen.

Ten tweede moeten de Verenigde Staten en hun Europese bondgenoten de externe veiligheidsomgeving en het regionale kader helpen scheppen waarin zich een democratische verandering gemakkelijker kan voltrekken. De geschiedenis van Europa in de afgelopen eeuw laat zien dat veiligheid essentieel is voor de bevordering van een democratische ontwikkeling. We moeten ons inzetten voor vrede tussen Israël en Palestina, maar dat niet alleen; we moeten ook Turkije helpen zich met succes om te vormen tot een volwaardige democratie die in aanmerking komt voor het lidmaatschap van de EU, we moeten hernieuwde druk uitoefenen op het Iraanse bewind ten gunste van democratie en wapenbeheersing, en verhinderen dat we ons voortijdig terugtrekken uit de democratische overgang die op dit moment gaande is in Irak.

In samenwerking met de gematigde Arabische landen kunnen we proberen te komen tot een nieuw regionaal veiligheidsverband voor het hele Midden-Oosten, naar het model van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). De grote bijdrage van het `Helsinki-proces' in Europa, waaruit de OVSE is voortgekomen is, was de erkenning dat echte vrede een nieuwe verhouding vergde tussen heersers en onderdanen én tussen landen onderling – en dat samenlevingen het recht hadden van hun regeringen te eisen dat ze zich daarnaar gedroegen. De vorming van een dergelijk verband in het Midden-Oosten zou een scala van prikkels vergen om de Arabische landen te laten zien wat er te winnen zou zijn als ze zich aansloten (net zoals dat bij de Afrikaanse leiders is gegaan met het Nieuwe partnerschap voor de Afrikaanse ontwikkeling).

Ook de NAVO heeft een rol te spelen. Ze kan de middelen leveren voor de vredeshandhaving die nodig is bij de wederopbouw van Afghanistan en Irak. En ze kan bijdragen tot democratischer praktijken in vredestijd door het gebied samenwerking te bieden in het kader van een nieuwe versie van het Partnerschap voor Vrede van de NAVO. De nieuwe rol van de NAVO in het Midden-Oosten zou zijn dat de Amerikanen en Europeanen, met elkaar verbonden, de agressors buiten de deur en de terroristen onder de duim houden.

De derde grote stap in een brede strategie ter bevordering van de democratie is dat we onszelf zodanig reorganiseren dat we die koers de komende decennia weten vol te houden. We moeten zorgen voor een nieuwe generatie diplomaten en democratiebouwers die het gebied en zijn talen kennen, en daarnaast onze regeringen zo reorganiseren dat ze ook op lange termijn hun betrokkenheid gestand zullen doen.

Om de oorlog tegen het terrorisme te winnen, zal een combinatie van aanval en verdediging nodig zijn. Voor de verdediging hebben de VS het ministerie van Binnenlandse Veiligheid ingesteld en wordt de bezem door het Amerikaanse leger gehaald. In Europa wordt de slagkracht om de `nieuwe bedreigingen' het hoofd te bieden sterk vergroot door de Commissaris voor `Justitie en Binnenlandse Zaken' en de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken.

Maar wat betreft het offensief – de opbouw van de democratie, de bevordering van politieke veranderingen, het winnen van de miljoenen gewone mensen in het gebied – die opdracht ligt ergens diep in een Europese en Amerikaanse ambtelijke la. Deze taken zullen daardoor nooit de benodigde leiding, aandacht en middelen krijgen. Ons bestuurlijke vermogen om nieuwe democratische staten te helpen opbouwen dient even groot te zijn als ons vermogen om autocratische regimes te vernietigen. Daarom zou president Bush of zijn Democratische opvolger in de VS een apart ministerie ter Bevordering van de Democratie moeten instellen.

De Europeanen zouden van hun kant in de nieuwe Europese Commissie die in november aantreedt, een Commissaris ter Bevordering van Democratie en Mensenrechten moeten benoemen (zoals oud-Commissaris Emma Bonino heeft voorgesteld). Met zo'n post zou leiding kunnen worden gegeven aan de Europese inspanningen ter bevordering van democratische verandering – en een doelmatige gesprekspartner ontstaan voor zijn of haar Amerikaanse tegenhanger, zodat er een gezamenlijke transatlantische strategie kan groeien.

Naarmate het debat over het `hele Midden-Oosten' verhitter wordt, bestaat het gevaar dat de Europeanen en Amerikanen een concurrerende democratiseringsstrategie zullen volgen. Terwijl beide partijen verschillende zaken ter tafel brengen – en het zijn nut heeft dat die elkaar aanvullen – moeten we de beste voorstellen die aan weerszijden van de Atlantische Oceaan voorhanden zijn, ineenschuiven en in een gezamenlijke inspanning hun uitvoering coördineren.

Dit artikel geeft de opvattingen weer van een transatlantische denktank inzake de bevordering van de democratie in het Midden-Oosten. Het werd geschreven door Urban Ahlin (Zweden), Ron Asmus (VS), Steven Everts (Nederland), Jana Hybaskova (Tsjechische Republiek), Mark Leonard (Groot-Brittannië), Michael McFaul (VS) en Michael Mertes (Duitsland).