Zwart vlees

Het chagrijn zit als mot in de Eindhovense pels. Het is er met geen mattenklopper uit te slaan. Allemachtig, wat een tranendal. Spelers, bestuurders en publiek van PSV trekken de mondhoeken naar beneden; het mombakkes is niet meer op één trilling van de lachspieren te betrappen. Geen kampioenschap dit jaar, zoveel is zeker.

Tegen het zwalkende Feyenoord liepen de spelers van PSV rond als soldaten met natgeworden munitie. De richting ontbrak, het vuur leek gedoofd. Tegen zoveel tristesse op het veld helpt nog maar één ding, weet ik sinds zaterdag: zwarte Quintis.

Quintis Ristie kan in Suriname nauwelijks over straat. Hij is daar tv-maker, kroegbaas, grappenmaker en beroepsflirter. Kortom, hij werkt vierentwintig uur in een etmaal. Quintis speelt op de Nederlandse tv de rol van leergierige Surinamer in de show van Jörgen Raymann. Hij is hier om zich verder te bekwamen als presentator. Quintis zat zaterdag totaal onverwachts naast me in het kleedlokaal voor het spelen van een voetbalwedstrijd. Hij trok een shirt over zijn reusachtige zwarte bast en had een heldere mededeling.

,,Ik kiep.''

Er was geen speld tussen te krijgen: Quintis ging op doel. Daar stond hij tussen de palen, honderdzeventig kilo zwart vlees in een waterig zonnetje.

Quintis kreeg zaterdagmiddag maar één goal tegen. Springen met dat zware lijf kan hij niet, hij heeft geen bal klemvast en bij het uitschieten moet hij voorkomen dat hij omvalt. Eigenlijk kan hij helemaal niets in het doel, alleen maar staan. Hij doet alsof hij keept. Met het gestel van een sumoworstelaar kijkt hij de ballen met een glimlach over de lat. Ik had na het overmatig blowen van de Franse keeper Bernard Lama en de onzekere momenten van Stanley Menzo mijn twijfels over zwarte keepers. Maar met Quintis win je de oorlog, hij bonjourt met onnavolgbare voodoo het rothumeur van elk voetbalveld.

Terug in de kleedkamer stonden de zweetparels op zijn voorhoofd. De materiaalman kwam langs voor tweeënhalve euro wasgeld per persoon. Wasgeld? Daar had Quintis nog nooit van gehoord. Hij toverde zijn grootste lach weer tevoorschijn en hij legde de muntjes op tafel. Ik keek naar de tevreden kop van onze nieuwe keeper en besefte weer wat voetballen moet zijn: in de buitenlucht fanatiek tegen een bal trappen met een paar aardige jongens.

Op zondagmiddag reed ik over de A4 naar Amsterdam. Op de radio hoorde ik PSV-doelman Waterreus mokken, geheel in de lijn van zijn verhaal in de regiokrant, waarin hij aankondigde te vertrekken omdat bij zijn club de rek eruit was. Zijn langzame blues telde meer dan vierentwintig maten.

Ondertussen passeerde ik een witte, ongewassen Toyota en keek opzij. Deus ex machina. Quintis aan het stuur! Ik gaf een ram op de claxon. Hij keek verschrikt opzij vanachter het stuur. Toch niet wéér wasgeld betalen? De linker kolenschop van Quintis ging omhoog door het vieze zijruitje. Het mag een godswonder heten dat ik niet van de weg raakte van zoveel vrolijkheid en eenvoud. We reden met honderdtwintig in het uur naast elkaar, de zwarte keeper en ik, en we bleven maar zwaaien. Zwaaien en lachen, dwars door de Brabantse huilverhalen heen. ,,Optisch leken we iets beter'', probeerde aanvoerder Van Bommel nog op de radio. Optisch, tja.

Ik doe een dringend beroep op PSV-voorzitter Van Raaij. Sla die zeurtoon uit het elftal en trek Quintis aan. Per direct. Morgenochtend komt hij binnen in de kleedkamer op de Herdgang, Zwarte Quintis met zijn honderdzeventig kilo goed humeur, geperst in een trainingspak. Hij gaat tussen de jongens van zijn nieuwe club zitten en trommelt met de handen op zijn buik.

,,Ik kiep.''

Iedereen blij. Zijn we in één klap van het Eindhovense gezever af.