Spanje's keuze

Spanje hield gisteren zijn meest beladen verkiezingen in ruim een kwart eeuw. Ze stonden geheel in het teken van de aanslagen van donderdag. De gevolgen hiervan op de stembusuitslag zijn groot en raken niet alleen Spanje, maar heel Europa. Het heeft er alle schijn van dat een ongehoorde daad van terreur verkiezingen direct heeft beïnvloed. Dat is iets waarmee politici niet alleen in Madrid, maar ook in Parijs, Londen, Den Haag en elders rekening moeten houden. Democratie is niet voor bange mensen, maar dat angst en woede het stemgedrag kunnen bepalen laat zich raden. De bloedige aanslagen, 72 uur later gevolgd door de gang naar de stembus, hebben Spanje op z'n kop gezet. Ze waren een test voor de jonge Spaanse democratie en voor de geloofwaardigheid van de regering. Ze hebben bovendien Europa een les geleerd. Wat daar kan, kan hier ook. En: al te enthousiaste steun voor een omstreden oorlog in Irak kan door een indringende gebeurtenis electoraal zwaar worden afgestraft.

De aanslagen van donderdag 11 maart 2004 zouden een bijzonder soort crisismanagement vergen. Zoveel was na die bloedige ochtend wel duidelijk. Allereerst was het van belang dat de regering tot kalmte maande. Dan moesten de verkiezingen doorgaan. Democratie wijkt niet voor terreur. En tot slot moest de informatievoorziening over de mogelijke daders zo zuiver mogelijk verlopen. In dat laatste faalde de tot donderdag favoriete regeringspartij van premier José Maria Aznar. De verleiding bleek te groot om te volharden in de beschuldiging dat de Baskische terreurorganisatie ETA verantwoordelijk was voor de aanslagen. Dat zou de conservatieve Partido Popular waarschijnlijk extra stemmen opleveren wegens getoonde daadkracht bij de bestrijding van het ETA-terrorisme. Vanaf vrijdag werd echter steeds duidelijker dat het waarschijnlijk niet de ETA was die de aanslagen pleegde, maar een Al-Qaeda-achtige groepering. Dat zou weer gunstig kunnen zijn voor de socialistische PSOE. Die is tegen Spanje's pro-Amerikaanse koers, de bezetting van Irak en de Spaanse militaire aanwezigheid in dat land. Met name de minister van Binnenlandse Zaken, Acebes, speelde in de zo essentiële informatieverstrekking een dubieuze rol. Hij hield onnodig lang zaken in het vage en laadde in die cruciale uren de verdenking op zich dat hij niet met crisismanagement bezig was, maar met electorale afwegingen. En met hem premier Aznar. De kiezers hebben met dit dubbelzinnige gedrag op ondubbelzinnige wijze afgerekend. De PSOE werd met 164 van de 350 zetels de grootste partij (was 125 zetels). De Partido Popular is zijn absolute meerderheid van 183 zetels kwijt en komt op 148 zetels. De opkomst was met ruim 77 procent hoog.

Het woord is nu aan de nieuwe premier. Coalitievorming zal niet eenvoudig zijn, maar daar staat tegenover dat bij iedereen het besef groot is dat terrorisme alleen in eendracht kan worden bestreden. Voor Spanje's buitenlandse beleid betekent de komst van een socialistische regering ongetwijfeld een koerswijziging, in de EU en daarbuiten. Het land zal onder leiding van de nieuwe Spaanse premier, José Luis Rodríguez Zapatero, afstand nemen van het Amerikaanse Irak-beleid. Zapatero heeft al gezegd dat hij de Spaanse troepen per 30 juni uit Irak wil terugtrekken. Zo'n besluit kan vergaande gevolgen hebben voor bondgenoten als Nederland, dat twijfelt of het zijn militaire aanwezigheid in Zuid-Irak nogmaals moet verlengen.

De nagalm van de ontploffingen in Madrid weerklinkt in alle Europese hoofdsteden. Terrorisme van deze aard, door deze daders – aangenomen dat het moslimfanatici van Al-Qaeda zijn – is geen exclusief Spaans probleem. Het vergt een ferm antwoord van internationale allure. Het vergt tevens een oproep aan gematigde moslims: solidariseer u met de slachtoffers – niet met de daders.