Rudolf Escher is te subtiel voor echte operastijl

Er zijn graduele verschillen tussen babbelen en kabbelen en tussen kabbelen en stromen, zoals ook tussen flauw en flets en tussen flets en ingetogen. Al die nuances komen aan bod in Rudolf Eschers Protesilaos en Laodamia, een zangspel bewerkt en in partituur gebracht door Willem Boogman. Het werd zaterdag in concertante vorm gepresenteerd in de Matinee in het Amsterdamse Concertgebouw.

Niet voor niets heeft Escher deze vroege `idylle' uit de jaren 1946-1948 – het moet een zware bevalling zijn geweest – in onvoltooide vorm laten liggen. Ook muziektheaterwerken als De poort van Ishtar (1947) en The long Christmas Dinner (1960) heeft hij teruggetrokken. Voor een onvervalste operastijl is Eschers zorgvuldig `bijgeslepen' muziek waarschijnlijk toch te subtiel van aard.

Wie Xenakis-achtige scènes verwacht, vol onheilspellende koren en dito dramatische duetten en ensembles, komt bedrogen uit. Escher volgt op de voet een vijftigtal kwatrijnen van Martinus Nijhoff, die op zijn beurt heel vrij de mythe volgt van de Griekse held Protesilaos. Als eerste sneuvelt deze in de Trojaanse Oorlog, zoals is voorspeld door het orakel. Zijn gade Laodameia weet de goden te vermurwen en krijgt haar geliefde terug voor de tijdsduur van drie uren, maar Nijhoff vindt één wel genoeg... Ten slotte pleegt zij zelfmoord. Nog enigszins dramatisch is de rol van Hermes, waarin tenor Arnold Bezuyen stevig uitpakte. De bariton Martijn Sanders als Protesilaos en de mezzosopraan Wilke te Brummelstroete als Laodameia hielden het op een betoog in liederenstijl. Er waren wel mooie momenten en Boogman heeft Eschers schetsen smaakvol en spaarzaam ingekleurd, met een enkele trombone die de figuur van Hermes markeert of pizzicati rond de eenzaamheid van Laodameia. Subtiliteit is er volop, maar vlammen doet het niet.

Debussy's Dansen voor harp en strijkorkest betekenden een zinvolle opmaat, waarbij de zwaarte van de Danse sacrée en de lichtheid van de Danse profane in de lezing van harpiste Godelieve Schrama spontaan in elkaar overvloeiden. Dirigent Otto Tausk begeleidde zorgvuldig, zoals hij ook aan Eschers zangspel schitterend vorm gaf. Kleurgevoel en articulatie, maar ook een grotere spanningsopbouw zijn aan hem besteed.

Een muzikaal doorstromende aanpak tekende ook het spel van de Oostenrijkse pianist Stefan Vladar, die in Mozarts Pianoconcert in C KV 467 voor vlotte tempi koos. Hij werd daarbij ter zijde gestaan door Frans Brüggen, die na de pauze Tausks taak overnam. Vladars felle accenten in de cadenzen misstonden het concert niet – laverend tussen wild stromen en Beethoveniaanse accenten. Alleen het Andante stel ik mij plechtiger voor. In een vrouwenkliniek in het Zweedse Halmstad begeleidt deze muziek de bevalling, die daardoor zowel pijloos als veiliger verloopt. Het sterftecijfer van de zuigelingen ligt er dan ook ver onder het gemiddelde.

Concert: Radio Kamerorkest o.l.v. Otto Tausk en Frans Brüggen m.m.v. Godelieve Schrama (harp) en Stefan Vladar (piano). Met werken van Escher, Debussy, Haydn en Mozart. Gehoord: 13/3 Concertgebouw. Radio 4: 16/3, 20 u.