Moeder Holland

Huilen gaat mij de laatste tijd gemakkelijk af. Vroeger niet, ik heb tussen mijn twintigste en veertigste niet één keer kunnen huilen, al moeten er redenen voor zijn geweest. Ik was tegen pathetiek, denk ik. Zelfs als ik de ergste tearjerker zag, en ik mag graag naar smartlappen kijken, lukte het mij om een afstandelijke, analytische blik te bewaren.

Op mijn 27ste schreef ik een verhaal over het Indiase melodrama. U weet, meer dan 90 procent van deze grootste filmindustrie ter wereld bestaat uit melodrama's. Ik ben opgevoed met melodrama's. Ik kon nog niet zelfstandig zitten, maar zag elke zondagmiddag een drie uur durend melodrama. Ik moest toen wel hebben geleerd waarom er melodrama's zijn, mijn hoofd moet om de paar minuten hebben gehotst en gebotst tegen de

tekeergaande borsten van mijn moeder, maar wat schreef ik op mijn 27ste? Een koude analyse van het genre, een theoretische verdediging, omdat het melodrama een poging zou zijn om oergevoelens te vinden en die tegen elkaar af te zetten. Het melodrama was een onderzoek naar de moraal onder laboratoriumcondities, schreef ik. Hoe gevoelloos was ik!

Nu heb ik niet eens een melodrama nodig om hevig te kunnen snikken. Ik hoef maar een avondje televisie te kijken. Van de echt schokkende gebeurtenissen in de wereld kun je niet huilen, die zijn te onmenselijk. Huilen heeft een menselijke maat nodig, bijvoorbeeld als iemand ruziënde familieleden tot elkaar brengt aan een keukentafel, of als vrouwen over vaginisme praten, of als Bram van Splunteren over zichzelf praat. Televisie gaat allang niet meer over gedachten en ideeën. Het gaat over gevoelens, over het kleine lijden en medelijden en zelfmedelijden.

Ik wil ook een documentaire maken over mijn midlifecrisis, zoals Bram van Splunteren, maar ik heb geen drie, ik heb dertig delen nodig.

Ik bel de VPRO zo meteen op, ik kan ze namelijk garanderen dat ik in elke aflevering minstens acht minuten achtereen zal huilen, ik zal janken en gillen, mezelf op de grond werpen, ik zal trappelen, en met zwaaiende armen zal ik op mijn borst slaan, alle kennis die ik heb opgedaan van creoolse vrouwen tijdens begrafenissen zal ik in praktijk brengen.

Waarom hebben westerse intellectuelen toch zo'n hekel aan tranen? Het huilen is in het Westen een kwestie van klasse: de fans van André Hazes mogen huilen, maar zij behoren dan ook tot de arbeiders. Een beetje middenklasser huilt niet meer, huilen is larmoyant en vals.

Kunnen tranen vals zijn? Als tranen vals kunnen zijn, dan kan zweet ook vals zijn en ik ken niemand die op commando kan zweten. Op commando ejaculeren kan ook niet hoewel, op commando urineren kan weer wel, maar dan spreek je ook niet van valse urine.

Gevoeligheid is goed, vinden westerse intellectuelen, maar je moet je niet aanstellen. Overgevoeligheid is een teken van zwakte, van gebrek aan zelfbeheersing en het hoogste goed in het Westen is beheersing, zo niet van de werkelijkheid, dan toch van je zelf.

Ik vind dat westerse intellectuelen het wel een beetje overdrijven, die strijd tegen de tranen. In India zou Bram van Splunteren een formidabel succes zijn, misschien moet hij zijn serie in het Hindi nasynchroniseren, al denk ik dat ze hem daar nog te ingehouden zullen vinden.

Wat ik vooral mis zijn tranen in de politiek. Wiegel heeft ooit gehuild, in een tv-programma, maar hij huilde om zijn vrouw die kort daarvoor was overleden. Pronk heeft ook gehuild, in het parlement, na een bezoek aan Somalië. `Het is zo erg', stamelde hij, en hoon kwam hem toe. Wees een man, werd de volgende dag in de kranten gefluisterd, mannen huilen niet. Karin Adelmund, Elske ter Veld en Hanja Maij-Weggen hebben gehuild, maar tja, vrouwen.

Weet u wie ik graag zou zien huilen? Rita Verdonk. Ik weet dat ze heel veel redenen heeft om te huilen. De hele wereld is tegen haar, de grote valse wereld die eerst onbarmhartige beslissingen neemt, en haar dan afstraft als ze die beslissingen uitvoert. Ze zegt niet of ze zelf achter die eerder genomen beslissingen staat, ze voert die slechts uit, zoals je van een ambtenaar met karakter mag verwachten.

En wat doen de media? Die plaatsen haar in het verdomhoekje. Ik zag een poster van Loesje waarop staat: `De asielzoekers zitten nu echt in het Verdonkhoekje'. Je kunt er om lachen, maar huilen is beter.

Ik vind het eigenlijk wel fijn dat we nu iemand hebben als Rita Verdonk. Onze eigen Iron Lady, onze eigen Thatcher, zo heerlijk onsentimenteel en voor een beetje wreedheid niet bang. Zij heeft toch niet bedacht dat uitgeprocedeerden het land uit moeten? Dat vonden wij allemaal. Zij heeft toch niet besloten dat buitenlandse bruidjes het Wilhelmus moeten kunnen zingen, desnoods telefonisch? Dat besloten we gezamenlijk, alleen dat van die telefoon hadden we niet zelf bedacht.

Nu komt ze met de vignetten, de wetenschappelijk verantwoorde integratiedetector. Het is een briljant idee voor een smartelijk showprogramma op televisie: bij een lage score het land uit, live, met huilende buren en klasgenoten vol in beeld.

Het grootste melodrama van India heet Mother India, uit 1957. Een pompeuse titel, maar zo hoort het, een verhaal over een vrouw met drie kinderen. Moeder India's echtgenoot verliest zijn armen bij een ongeluk en pleegt daarna zelfmoord, de geldschieter probeert haar te verkrachten, een van haar kinderen verdrinkt bij een overstroming, elke twee minuten is er een huilsequentie. Maar als haar opgegroeide zoon de dochter van de landheer ontvoert, toont ze haar karakter. Nog lang voor Margaret Thatcher en nog lang voor Rita Verdonk, greep ze haar geweer en schoot ze haar lievelingszoon dood.

Zo moeten we Rita Verdonk zien: ze kiest op ondubbelzinnige wijze tussen wet en sentiment. En ze kiest voor de wet, zoals Moeder India deed. Met dit verschil dat Moeder India tranen met tuiten huilde terwijl ze de trekker overhaalde. Daarom zeg ik: doe wat je doen moet, Rita, maar huil erbij, veeg die koude glimlach van je gezicht. Bram van Splunteren en ik huilen met je mee, dat garandeer ik.

ramdas@nrc.nl