Bij sopraan Souad Massi mag alles, tenzij het verboden is

De Algerijnse sopraan Souad Massi mixt nueva flamenco met hindi-pop, inhaakdeunen en stevige rock. Woensdag staat ze in de Amsterdamse Melkweg.

Bij de beschrijving van zang uit Algerije wordt vaak het woord `ruig' gebezigd. Terecht, want aan het schurende geluid van Cheikha Remitti en de gutturale klanken van Khaled en veel andere `chebs' kleeft het vuil van de straat. De boodschap wordt uitgevent als overrijp fruit, op een mooie verpakking zit niemand te wachten.

Gezien dit wat verhitte klimaat, enigszins vergelijkbaar met de hardcore-rapscene, is het geen wonder dat de heldere sopraan van Souad Massi, die binnenkort in Amsterdam optreedt, op het eerste gehoor vooral heel on-Algerijns klinkt. Mijmeren bij een akoestische gitaar, dat hoort toch bij Franse chanteuses en gelaarsde cowgirls uit Memphis, Tennessee?

Maar al snel geef je je over: hoe schoon klinkt de Arabische taal als die uit de juiste mond komt! Op Massi's debuut-cd Raoui (2001) staan trouwens ook heel andere stukken. In het tweede stuk komen de oed, de Arabische luit en het westerse drumstel erbij en in het derde liedje regeert de Kongolese zouk; dansez!, dansez! Dat de in Algerië opgegroeide Massi zich niet wil vastleggen op één stijl blijkt verder in Lamen, waarin stevig wordt gerockt en de medeklinkers zijn gelardeerd met `authentiek' Amerikaanse country-snikken.

De opmerkelijke breedheid van Souad Massi (1972) heeft te maken met haar persoonlijke geschiedenis. Ze is geen meisje uit de bergen, maar werd opgevoed met Arabo-Andalusische en klassieke muziek. Ze zong een tijdje in een flamenco-troupe en begon daarna een eigen groep: Atakor. Een bandje dat met belangstelling werd gevolgd door de Algerijnse overheid omdat Massi zich in haar teksten kritisch uitsprak over politieke zaken. Toen ze vervolgens ook nog haar burgerbaantje verloor, zag ze het in Algerije niet meer zitten en greep ze een uitnodiging voor het Vrouwen uit Algerije-festival in '99 aan om zich in Parijs te vestigen.

Daar viel het klimaat haar tegen, zowel de zonneschijn als de sociale omgang. Ex-landgenoten provoceerden haar met vragen als `waarom draag je een spijkerbroek' en `waarom geen hoofddoek?' Maar ze kreeg er ook de kans haar eerste bejubelde cd te maken. Dat jubelen begon trouwens pas echt na haar optreden in oktober 2001 op de WOMEX-beurs in Rotterdam, waar vooral de Engelse muziekpers op haar viel.

Op Deb (Heartbroken) van vorig jaar vervolgde Massi met succes de weg die ze op Raoui was ingeslagen: alles mag, tenzij het `haram' (verboden) is. En verboden was er maar weinig, want was er ooit een profeet die zich negatief uitsprak over stijlen als nueva flamenco, hindi-pop en meedeinmuziek à la Torremolinos of Volendam?

Niet alle liedjes op Deb zijn fantastisch, maar bij Yemma smelt je direct. Ook in Le bien et le mal en het half in het Engels gezongen Moudja (De golf) dwingt tot meezingen.

Massi heeft iets van de ideale vrouw; je zou er zo verliefd op kunnen worden, maar wat je weerhoudt is dat ze ook iets van je moeder heeft. Vooral in het zeer dansabele Yawlidi (mijn kleine jongen): Kom maar hier kind, ik druk je tegen mijn boezem.

Platen: Raoui (WRASS 061) en Deb (WRASS 096). Distr. lc.music. Optredens: 17/3 Melkweg Amsterdam; 18 t/m 21/3 Franstalig België.