Amsterdams

Vorige week het boek Wat zien ik... van Albert Mol gelezen. Jaren geleden was ik er al eens aan begonnen, maar toen konden de ontboezemingen van de Amsterdamse prostituee Blonde Greet me niet zo boeien. Greet vertelt uitvoerig over de bizarre wensen van haar klanten. Die moeten in 1965, toen het boek verscheen, voor veel lezers sappig en verrassend zijn geweest, maar inmiddels kunnen we bijna avond aan avond op televisie veel gekkere dingen zien.

Nu ik het boek herlas, vond ik het groots. Niet wegens de malle seks, maar wegens het taalgebruik. Albert Mol zelf vond zijn optreden in `30 minuten' met Arjan Ederveen het hoogtepunt in zijn carrière. Dat mag zo zijn voor Mol de acteur, maar als schrijver heeft hij gepiekt in 1965, bij het uitwerken van de gesprekken met Blonde Greet.

Wat zien ik... was een enorme bestseller. Tussen 1965 en 1971 werd het boek 29 maal herdrukt. Ik vrees dat het indertijd zo goed heeft verkocht omdat de lezers op smeuïge verhalen hoopten. Kort na het verschijnen van zijn boek zei Mol hierover tegen Het Parool: ,,Er komen al mannetjes schichtig om mijn boek vragen in de winkel, stoppen het weg in een krant en verdwijnen in de trant van: nou is het thuis lekker smullen geblazen. Dat hebben ze dan helemaal verkeerd gezien, want het is geen boek met vieze woorden. [...] Ik heb gewoon de geweldige, `uit het leven gegrepen' verhalen van Blonde Greet nu eens definitief opgeschreven.''

Simon Carmiggelt zag indertijd wél meteen wat de waarde van dit boek was. In het voorwoord schreef hij: ,,Alleen Blonde Greet spreekt. In háár taal – de Amsterdamse taal. De grote verdienste van dit boek als werkstuk is dat Mol iedere karakteristieke uitdrukking, zinswending, of vorm van vaak komisch werkend `taalmisbruik' wist over te brengen.''

En hoe! De Amsterdamse stadstaal is in relatief veel boeken te vinden. Denk aan de publicaties van onder anderen Justus van Maurik, Herman Heijermans, Querido, Nono, G.P. Smis en Jan Mens. Maar ik ken, bij nader inzien, geen fraaier monument voor het Amsterdams dan Wat zien ik....

Mol heeft zijn gesprekken met Blonde Greet opgenomen op band. Hij moet de geselecteerde fragmenten vrijwel letterlijk hebben uitgetikt. Althans, ze lezen als authentieke spreektaal. Zo zegt Greet in een van de mooiste stukken van het boek, waarin zij vertelt over een rotavond: ,,Der valt niks meer te beleven. Nee, wat mot je nou nog beleven tegenwoordig. Bovendien, wat zal ík nog motten beleven? Nou, dan mot er ook veel gebeuren, wil ik nog wat beleven. Ik heb toch alles beleefd wat er te beleven valt?''

Geen mens zou het in z'n kop halen om in een geschreven tekst zo vaak achter elkaar het woord beleven te herhalen, maar als we praten herhalen we voortdurend dezelfde woorden.

Een ander hoogtepunt in het boek is het hoofdstuk `Hij heet Piet'. Greet vertelt hierin uitvoerig dat ze verliefd is geworden op een `lekkere knul'. ,,Ik weet het niet, hij had zoiets, er ging zoiets van hem uit, zoiets gezonds. Ja got, het is een rotwoord, gezond, hoor, maar der ging gewoon iets lekkers van die knul uit, en toen zegtie: Nou, weet je wat, drink je borreltje op, meid, dan gane we eten.''

Voor zo'n zin kun je mij midden in de nacht wakker maken! Als je taalkundig zou willen beschrijven wat hier allemaal gebeurt, zou je een hele tijd bezig zijn. Ook in allerlei kleine zinswendingen schitteren de diamantjes je tegemoet: ,,Die jongen zegt ook, meid, zegtie''; ,,zal jij eens zien wat enig dat is''; ,,alsdat je zegt van''; ,,dan zouwe der misschien''; ,,toen zeg ik inene''; ,,toen ben ik naar die hoe heet dat gegaan'' enzovoorts.

Wat zien ik... van Albert Mol is bij mijn weten in 1988 voor het laatst herdrukt. Wat mij betreft zou dit gave monumentje voor het Amsterdams snel opnieuw uitgebracht mogen worden, al was het maar uit eerbetoon voor een miskende schrijver.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl