Zonder geluid begrijpen we niets van de zogenaamde beeldcultuur

Het is een cliché om te zeggen dat we in een beeldcultuur leven. Maar is het wel waar? Beelden doen ons heel weinig als we er niets bij te horen krijgen. Nee, dan geluid.

We zijn oogmensen geworden, na millennia lang mensen van het woord te zijn geweest. Om iets te begrijpen of zelfs maar te zien, moest het al die duizenden jaren lang worden besproken, beschreven en verklaard. Een verschijnsel of gebeurtenis werd alleen als doorgrond beschouwd als er een boek over was verschenen waarin alle aspecten van de zaak aan elkaar werden gepraat. Dat de betreffende filosofische handboeken, wetenschappelijke studies en dichterlijke meesterwerken voor velen onbegrijpelijk waren deed er niet toe. Ondanks hun ontoegankelijkheid maakten de hoofdwerken uit de wijsbegeerte, poëzie en natuurwetenschappen één ding zonneklaar: de wereld is wel degelijk te begrijpen, zij het wellicht niet door u. Het is geen toeval dat de leidende godsdiensten van de afgelopen tweeduizend jaar – christendom en islam – religies waren waarin een boek centraal stond.

Dat is veranderd sinds er steeds meer afbeeldingen, voorstellingen of kortweg `beelden' te zien zijn. Dat is het geval vanaf de uitvinding van de fotografie in 1839, of sinds de komst van de film in 1889 of de televisie in 1928. In de Middeleeuwen zag een normaal mens alleen maar de schilderijen en standbeelden van heiligen in de kerk die dagelijks of wekelijks werd bezocht. Soms toonde een marskramer of andere entertainer op een markt een tekening waarover hij een verhaal vertelde. Met de komst van de boekdrukkunst – de houtsnede, de ets, de kopergravure, de lithografie

enzovoort – vermeerderde het aantal beelden dat een mens in zijn leven zag aanzienlijk. Maar vanaf het einde van de negentiende eeuw zet het beeldenbombardement pas echt in met foto's in kranten en familiealbums, reclameboodschappen en posters, films in de bioscoop, et cetera. En hoeveel beelden zien we tegenwoordig op één dag? Duizend? (In kranten, op straat, in de keuken.) Een miljoen? (Als je veel televisie kijkt.) In elk geval oneindig veel meer dan de middeleeuwer in zijn hele leven bij elkaar.

We leven tegenwoordig, heet het, in een visuele cultuur, een beeldcultuur die hard bezig is de schriftcultuur van voorheen te verdringen. Alle kennis die niet in beelden kan worden vertaald, loopt het gevaar te worden vergeten door jongere generaties. Dat roept cultuurpessimisme op bij degenen die de mooiste ervaringen van hun leven te danken hebben aan boeken. Het veroorzaakt ook een gevoel van opluchting bij degenen die inzien dat niet alleen de grootse verworvenheden van de westerse beschaving, maar ook al haar verschrikkingen een gevolg zijn van onze afhankelijkheid van en ons geloof in het geschreven en gedrukte woord. Beide groepen zijn het erover eens dat het dringend gewenst is te doorgronden wat beelden zijn. Waarom hebben ze zoveel macht over ons gekregen? En hoe kunnen we ze onschadelijk maken of ten goede aanwenden?

Er verschijnen aan de lopende band boeken en bundels met wetenschappelijke artikelen over `visual culture'. Men analyseert daarin televisieprogramma's, licht popidolen door, bestudeert de marketing van merken, et cetera. Ik heb zelf ook de nodige artikelen en boeken geschreven over de invloed van beelden op de manier waarop mensen met hun lichaam omgingen in de twintigste eeuw, de wijze waarop ons geloof in wat we zien is veranderd sinds de komst van digitale beelden, en over het tegengif dat door kunstenaars is ontwikkeld tegen de beeldensoep die we dagelijks krijgen opgediend.

Maar ik ben ernstig gaan twijfelen aan het belang van beelden. Neem de vliegtuigen die zich op 11 september 2001 in het World Trade Centre in New York boorden: iedereen ziet het tweede vliegtuig onder een hoek op het glimmende gebouw af vliegen, de geel-oranje vlammenzee uit de wolkenkrabber knallen en de torens elegant in zichzelf wegzakken, met daarna de stofwolk en de grijze mensen die eruit te voorschijn hollen.

De beelden herinneren we ons, maar wie herinnert zich nog hoe dat klonk? Waar zijn de geluiden gebleven? Werken beelden zo sterk op ons in om wat erop te zien is, of om wat erbij te horen valt zonder dat we daar erg in hebben? Een foto kan niet zonder bijschrift: het is aan de foto niet af te zien of de vrouw die haar handen ten hemel heft een lied zingt, God dankt, haar verdriet de wereld in schreeuwt, zich uitrekt of een toneelstukje opvoert. Een foto gaat pas ergens over als erbij wordt verteld waarover; weet je dat eenmaal, dan kan hij heel indrukwekkend zijn. Als kunstenaars foto's tonen in hun werk, geven ze die meestal het bijschrift mee: zonder titel. Ze hopen dan dat de kijkers zelf zullen ontdekken dat de foto van alles kan betekenen, afhankelijk van hoe ze hun blik laten sturen door de beelden die ze al eerder hebben gezien, en dan daarna inzien dat foto's niet ontroeren vanwege hun betekenis maar om een heel andere reden. De vraag wat die reden is, is de opgave die de kunstfoto haar kijkers stelt. Stel je reclamefoto's voor zonder merknaam, of stel je kunstfoto's voor mét een merknaam linksonder, dan snap je al snel hoe een foto wel of juist geen betekenis krijgt.

Zo kunnen bewegende beelden niet zonder geluid. Alleen is daar iets merkwaardigs mee aan de hand. Praktisch alle informatie die wordt overgedragen via de geluidsband bij bewegende beelden, wordt door de kijkers herinnerd alsof ze is overgedragen via het beeld. Je ziet een schaduwvlek, je hoort gemiauw en herinnert je een poes te hebben gezien. Als mensen met elkaar praten, lijkt de betekenis van hun gesprek te liggen in de woorden die ze uitspreken. In werkelijkheid echter dragen wij mensen praktisch alle betekenis over via de intonatie en het timbre van onze stem, de beklemtoning van woorden, pauzes, aarzelingen, het ritme van spreken en zwijgen, aangevuld met de non-verbale tekens die we met onze ogen, ons gezicht, met gebaren en lichaamshouding uitzenden. De stomme of `zwijgende' film maakte gebruik van dat gegeven. Met de geluids- of `sprekende' film konden acteurs hun stem het grootste deel van de betekenisoverdracht laten verzorgen. Mimiek en gestiek werden daardoor minder belangrijk. Na twintig jaar geluidsfilm waagden acteurs als Marlon Brando en James Dean het begin 1950 zelfs om onverstaanbaar te mompelen in plaats van goed te articuleren: de bedoeling kwam toch wel over.

Geluid is iets dat we zo vanzelfsprekend voortbrengen en verwerken, dat de invloed ervan moeilijk bewust is te maken. We nemen ook oneindig veel meer geluid waar dan we beelden zien: terwijl mensen slechts twintig beelden per seconde kunnen onderscheiden (versus bijvoorbeeld postduiven, die 150 beelden per seconde herkennen), onderscheiden we oneindig veel meer klanken. Razendsnelle geluidsequenties kunnen we met wat oefening leren horen, terwijl we razendsnelle beeldsequenties onmogelijk kunnen leren zien. Dat we met zoveel gemak kunnen horen is precies de reden voor de bewering dat we in een `visuele cultuur' leven, ook al stelt de toename van het aantal beelden in de afgelopen honderd jaar niet veel voor vergeleken met de toename van het geluidsniveau in stad en land. Wanneer is het nog stil? In Nederland spreekt men van `stiltegebieden' als de herrie onder een bepaald aantal decibels is gezakt – stil is het nergens.

De invloed van geluid is goed te onderzoeken aan de hand van de ervaringen van de bioscoopbezoeker. Filmgeluid, bijvoorbeeld muziek, maakt het mogelijk om een onsamenhangende serie beelden te laten overkomen als een samenhangend geheel. De muziek verbindt de beelden over de breuken van de montage heen – dat lukt ook met het geluid van een auto die komt aanrijden, een opstekende storm, et cetera. Er bestaat in films een stilzwijgende overeenkomst tussen geluid en beeld, waarbij het geluid beïnvloedt wat de kijkers in het filmbeeld zien, en omgekeerd het beeld bepaalt welke geluiden al dan niet bewust worden gehoord.

Ditzelfde nu gebeurt overal en telkens weer in de zogenaamde beeldcultuur. De etalages in winkelgalerijen zouden totaal oninteressant blijven als de muzak die op de achtergrond klinkt de blik niet onwillekeurig richting koopwaar zou sturen. Maar door op de kleren, merken en beelden te letten, merkt het winkelpubliek weinig tot niets meer van de muziek. Het kabaal op straat bepaalt hoe een fietser door het verkeer heen laveert zonder de overige weggebruikers werkelijk te hoeven zien. Omgekeerd heeft de fietser zoveel visuele prikkels te verwerken dat hij of zij niet wordt verpletterd door het lawaai op de openbare weg. Zien voorkomt dat je luistert, en luisteren voorkomt dat je om je heen kijkt. Misschien leven we in een beeldcultuur, maar die heeft dan wel een blinde vlek: het geluid.

In films volgt het geluid geen autonoom spoor, het staat altijd in dienst van de beelden. Als je een soundtrack zonder bijbehorend beeld beluistert, hoor je geen verhaal, maar losse klanken die soms een samenhang krijgen en daarna weer uiteenvallen. Geluiden komen ook niet logisch uit elkaar voort in film, terwijl de getoonde voorvallen elkaar wel causaal lijken op te volgen: na stadsgeluiden kan er opeens vioolmuziek inzetten terwijl hetzelfde stedelijk decor te zien blijft.

Vreemd genoeg zijn het juist die onsamenhangende of in elk geval niet logisch ontwikkelende klanken die de filmbeelden hun samenhang geven, ook al lijken de beelden een natuurlijke samenhang te hebben omdat ze na elkaar komen. Het beeld bespeelt het verstand, maar het geluid bespeelt het gevoel, en het doet dat zo grondig en onzichtbaar dat het verstand altijd meent de overhand te houden. Beeld en geluid zijn in een geluidsfilm nauwelijks uit elkaar te houden, ook niet na veel training. In het dagelijks leven is de intensiteit van een gevoel vaak evenmin terug te vinden in een beeld, bijvoorbeeld de herinnering aan iemand op wie je tien jaar geleden smoorverliefd was en van wie je nu alleen nog een nietszeggende foto in je bureaula hebt liggen. Maar dan hoor je onverwachts de muziek spelen die je in die tijd vaak op had staan en biggelen de tranen langs je wangen: God, wat waren wij gelukkig!

Ik persoonlijk kan de muziek van U2 niet aanhoren, omdat het in mij het snijdende gevoel wakker roept heel veel liefde te vergeven te hebben terwijl er niemand is die haar wil ontvangen – een gevoel dat ik nu als bulkend zelfmedelijden herken, maar dat ooit de dragende emotie onder mijn bestaan moet zijn geweest, al weet ik niet meer wanneer precies. Muziek is het belangrijkste middel dat we hebben om ons geheugen toegankelijk te houden – niet het geheugen voor voorvallen, die zelden interessant zijn, maar voor de gevoelens die we daarbij hadden. En daar gaat het om.

We leven kortom niet in een beeld-, maar in een geluidscultuur. Als we iets willen begrijpen van de wereld waarin wij leven, zullen we onze fixatie op beelden moeten loslaten om bewust te gaan luisteren naar wat we horen. Wat doet geluid? Ik kan het niet beter uitdrukken dan met een onjuiste herinnering aan een film, die mij, toen ik de film onthutst terugzag, onthulde hoe volgens mijn diepste, meest onbewuste intuïties de wereld tot stand komt. Aan het slot van Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssee (1968) valt een astronaut via een psychedelisch soort zwart gat naar de andere kant van het heelal. Daar stapt hij uit in een kamertje, dat is ingericht in een achttiende-eeuwse stijl, althans dat dacht ik toen ik de film voor het eerst zag, ergens in mijn studententijd. De astronaut loopt naar de deur van de kamer ernaast, waar hij geluid hoort, en daar ziet hij zichzelf in stilte aan een tafel zitten eten, dat wil zeggen: een veel oudere versie van hemzelf. De film gaat nog een tijd door, maar in mijn geheugen stopte hij hier. Ik herinnerde mij de scène bovendien geheel anders.

In de versie in mijn geheugen ziet de astronaut niet zichzelf in de aangrenzende kamer aan tafel zitten eten met mes en vork. Bij mij waggelt hij in zijn stijve, oranje pak naar de deur van de volgende kamer en daar zit Johann Sebastian Bach te spelen op een groen clavecimbel. De camera glijdt van achter naar en dan langs de meester en onthult onder de krullen van zijn pruik het strenge gezicht vol rimpels in voorhoofd en onderkin, terwijl Bach volkomen geconcentreerd, eindeloos improviserend, akkoorden en melodielijnen aanslaat op het toetsenbord en zo het universum te voorschijn speelt.

Dit was het inzicht dat ik opdeed: de wereld mag nog zo solide en zichtbaar lijken, in werkelijkheid is ze opgebouwd uit het meest instabiele en vergankelijke dat er bestaat, geluidsgolven namelijk. De wereld is niet echt omdat ze nu eenmaal bestaat, maar omdat wij haar voelen. En wat wij voelen is haar muziek. Een muziek die je hoort als het stil is.

Arjen Mulder (1955) is bioloog en essayist. Zijn meest recente boek is `Levende systemen'(2002). Begin april verschijnt `Over mediatheorie' bij NAi Uitgevers. Hij is redacteur van De Gids.