Weinig lopen en veel speculeren

Op de natste avond van het jaar zijn meer dan acht miljoen Spanjaarden de straat op gegaan.

Niet iedereen gaat demonstreren tegen het terrorisme, vrijdagavond in Madrid. De vrouw die op de Puerta del Sol, het centrale plein van Madrid, iedere passant voorziet van een zwart lintje, vindt het een kilometer noordelijker gelegen Plaza Colón ,,te ver''. Bovendien moet ze blijven waar ze is, om de tientallen kaarsen brandend te houden die, zoals op zo veel plaatsen in de stad, zijn neergezet ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de viervoudige aanslag op treinen in Madrid, donderdagochtend. Dat doet ze al 24 uur, inmiddels in de regen en met een grote traan onder haar linkeroog geschminkt. ,,Ik ben sinds gistermiddag niet thuis geweest. Waar zouden we anders moeten zijn dan hier. Waar zijn de 200 slachtoffers?''

De meeste mensen gaan echter wel demonstreren, op de natste avond van het jaar in Madrid. Een groepje architectuurstudenten uit het even buiten de stad gelegen dorpje Villanueva de la Cañada heeft zich uitgedost in poncho's met een naar Picasso's schilderij Guernica verwijzende krantencartoon. De 24-jarige Antonio Cobo heeft hiervoor alleen tegen de oorlog in Irak gedemonstreerd, maar is ook gistermiddag al de straat op geweest, in Villanueva: ,,Iedereen was er, tot de burgemeester toe.'' Vanmiddag is hij met zijn vrienden met de bus gekomen, die reed vanaf vier uur gratis naar de stad. ,,Met de trein gaan we nu liever niet en in de metro zie je iedereen wantrouwig in het rond kijken of er niets vreemds gebeurt'', legt Antonio's vriendin Clara uit.

Om zes uur, ruim een uur voor aanvang van de demonstratie die naar het station Atocha zal leiden arriveren ze op Plaza Colón, het officiële beginpunt. Het plein is dan al vol, net als de meeste wegen die erheen leiden. Uiteindelijk zullen 2,3 miljoen mensen de straat op gaan in de Spaanse hoofdstad (en 8 miljoen in het hele land), wat betekent dat er voor de meeste mensen weinig terecht komt van het lopen langs de uitgezette route. Veel demonstranten besluiten dan maar de straten in de buurt te gebruiken, waardoor al snel een onontwarbare kluwen ontstaat van tegen elkaar in lopende groepen mensen, overigens zonder dat er paniek uitbreekt.

De duizenden mensen op Plaza Colón kunnen voorlopig geen stap verzetten, wat tijd geeft voor speculaties over de daders van de aanslagen, en over de gevolgen. Want hoewel de demonstratie nadrukkelijk bedoeld is als een nationaal protest tegen het terrorisme, houden ook de politieke implicaties de demonstranten bezig. Antonio en zijn vrienden gaan er, net als de regering en de meeste Spanjaarden, vanuit dat de explosies het werk zijn van de Baskische terreurbeweging ETA.

[vervolg DEMONSTRATIE: pagina 5]

'De hemel huilt'

[vervolg van pagina 1]

Omdat er veel geruchten waren over op handen zijnde aanslagen voor de algemene verkiezingen van zondag en eigenlijk ook omdat het bijna altijd ETA is. ,,Vorige maand nog is er een busje met 500 kilo explosieven van ETA onderschept'', zegt Clara. ,,Gisteren is er maar 100 kilo gebruikt.'' Het kan natuurlijk zijn dat niet ETA maar Al-Qaeda achter de aanslagen zit, oppert Antonio. Algemeen wordt aangenomen dat de aanslagen de regerende en in de opiniepeilingen aan de leiding liggende Partido Popular aan meer steun zullen helpen, wegens de hardere lijn van die partij tegenover ETA en het Baskische nationalisme. Als blijkt dat de aanslagen het werk zouden zijn van Al-Qaeda, draait de zaak om, zegt Antoinio: ,,Dan wordt het een probleem dat premier Aznar ons heeft bezorgd met zijn steun voor de Amerikaanse aanval op Irak. Wij hadden een goede relatie met de meeste Arabische landen. ,,Maar als daar al aanwijzingen voor zijn, zullen we die zeker niet voor de verkiezingen van zondag te horen krijgen. Daar heeft de regering geen enkel belang bij.''

Daar lijkt de Spaanse regering zich echter niet erg druk om te maken. Voor de demonstranten is ETA verantwoordelijk. De paar keer dat er leuzen worden geschreeuwd die óók tegen islamitisch terrorisme gericht zijn (`ETA en Al-Qaeda, weg uit Madrid!') worden die snel verruild voor aansporingen aan het adres van ETA-sympathisanten om `ook in die wagon te klimmen'. De politiek blijft echter op de achtergrond, er klinken vooral algemene teksten (`Wij zijn niet iedereen. Er ontbreken er 200'). Naar mate het wachten vordert, dwalen de spreekkoren soms wat af. Richting de onophoudelijke stortregens, bijvoorbeeld, met leuzen dat heel Spanje strijdt `door nat te worden' of in pogingen om al scanderend mensen ertoe te verleiden hun paraplu's te sluiten. Anderen staan stoïcijns in de menigte met een brandende kaars.

Pas tegen half negen komt de zee aan paraplu's op Plaza Colón in beweging. Voor de meeste mensen zal het nog een paar uur duren voor ze in de buurt van station Atocha komen, veel anderen zwermen uit over het centrum van Madrid, waar ze wat te eten zoeken of samenklonteren bij een van de tientallen plaatsen waar kaarsen worden gebrand voor de slachtoffers. Zoals op de Puerta del Sol, waar zich inmiddels een man over de kaarsen heeft ontfermd, met een doorweekt papier op zijn rug: `Het regent niet, maar het is de hemel die huilt.'