Violettest

AL EEN TIJDJE koestert het AW-labo een waarneming die verricht werd op een late avond toen het licht al uit was maar de keukengeiser weer aan moest. In een spiegel was te zien hoe het witte t-shirt ongewoon fel oplichtte in de gloed van de gasvlam. Dat is: in het schijnsel dat naar buiten viel door het open venster waarachter de waakvlam waakt. Onder gewone gloeilampverlichting maakte het hemd later geen speciale indruk.

Het geiserverschijnsel had onmiskenbaar trekken van de `black light'-effecten die men zich herinnert van slechte dancings en nachtclubs. Dat is ook niet verrassend want het is bekend dat wasmiddelfabrikanten `witmakers' door hun middelen mengen. Optical whiteners, fluorescent whitening agents, optical brighteners, hoe je ze noemen wilt. De witmakers hebben de eigenschap geabsorbeerde uv-straling (zoals bijvoorbeeld ook black light dat opwekt) weer uit te zenden als enigszins blauwig licht. Het blauw verdoezelt de wat gelige tint die witte textiel van nature heeft.

De vraag is dus: zendt de geiser dan veel ultraviolet uit of reageren de Omo-witmakers ook al op het vage, wèl zichtbare violet dat de gasvlam uitstraalt? En zo ja of zo nee, zou er dan misschien ergens anders in huis uv-straling zijn te vinden of op te wekken?

Het is geen academische oefening want het staat vast dat goed hete gasvlammen, van het soort dat bij autogeen lassen ontstaat, flink uv-straling afgeven. Zo flink dat de lasser zich ertegen beschermen moet. Binnenshuis is uv-straling ook niet zeldzaam, hij is aanwezig in elke keuken die met TL- buizen wordt verlicht. De wisselspanning over de dunne kwikdamp in de buizen wekt hem op, maar hij wordt effectief tegengehouden door het buizenglas. Daar komt nog bij dat de binnenkant van dat glas is gecoat met `fosforen' die het opgewekte uv in zichtbaar licht omzetten. Er komt dus geen spatje uv naar buiten. Hoogtezonnen, zonnebanken en andere bruiningstoestellen zijn juist zo ingericht dat dat wel gebeurt. Het AW-labo heeft ze niet.

Hoe stel je vast dat er ergens binnenshuis – in het broodrooster, achter de computer of voor de tv – ultraviolette straling heerst? Daarvoor bestaat hoogwaardige meetapparatuur, maar de zelfonderzoeker gebruikt liever zijn eigen middelen. En het ligt voor de hand daarvoor, in een wat vreemde cirkel-opzet, gebruik te maken van die netgenoemde `witmakers', of meer algemeen: fluorescerende stoffen. Bij voorkeur fluorescerende stoffen die bij uitstek uv absorberen en als zichtbaar licht weer uitzenden (er zijn ook fluorescerende stoffen die zichtbaar licht absorberen en als licht van grotere golflengte weer uitzenden).

Er is, zoals ook een gang langs Google leert, geen gebrek een fluorescerende stoffen, en daaronder zijn er veel die je tot het huis, tuin en keuken assortiment zou kunnen rekenen. Afgezien van de synthetische verbindingen in wit papier, wasmiddel en tandpasta zijn dat bijvoorbeeld gips, talk, chlorofyl, vitamine A en de vitamines B en allerhande lichaamsvloeistoffen.

Het tekort van de meeste is dat ze hun kunstje alleen vertonen, althans zichtbaar krijgen, als ze praktisch uitsluitend met uv worden bestraald. Dus met de echt `black light'-verlichting die zichtbaar licht zoveel mogelijk tegenhoudt. Maar de gasvlam ontwikkelt ook veel zichtbaar licht.

Zo komt de zelfonderzoeker terecht bij kinine. Kinine is de bitterstof die tonic een deel van zijn smaak geeft (suiker en citroenzuur doen de rest). Tonic waarop licht valt dat ook veel uv bevat (zoals buiten op een zonnig terras) licht blauw op. Het is vooral goed te zien tegen een matzwarte achtergrond, zeggen diverse highschool-sites. De tonictest lijkt vast bestanddeel van het Amerikaanse lespakket.

Dus tonic in huis gehaald, maar het viel niet mee om de gasvlamgloed boven in de beker te werpen en het was niet duidelijk of de gebruikte plasticsoort (PET) het veronderstelde uv wel doorliet. Plastics vertonen grote verschillen in uv-doorlaatbaarheid. In ieder geval verscheen er geen blauwe gloed.

Dus weer terug in de cirkel en eerst gezocht naar een mogelijkheid om met zekerheid uv-straling op te wekken: vaststellen of de tonic wel goed was. Maar inmiddels was de lampenwinkel dicht. Er zat niets anders op dan een replica te maken van de oude koolspitsbooglamp. De koolspitsbooglamp, die vroeger in filmprojectors brandde, dankt zijn ongemeen felle licht aan de vonk die heen en weer springt tussen twee koolstaven (waarover een spanning is aangelegd) als die nèt niet met elkaar in contact komen. Het is een oud gegeven dat die vonk ook veel uv uitzendt.

Nu kwam de lege 4,5 volts Hema-batterij van pas. De koolstaafjes werden er met een tangetje makkelijk uitgetrokken en konden met wasbenzine worden ontvet. Een klein kunstje om er elektriciteitssnoer aan vast te solderen zolang de metalen kapjes nog vastzitten. Voor de zekerheid werd een oude doka-lamp in het circuit opgenomen (De proef is sowieso niet ongevaarlijk).

Achteraf moet worden vastgesteld dat die doka-lamp van een te klein wattage (te hoge weerstand) was. Een indrukwekkend schijnsel werd het niet, maar in een goed verduisterd vertrek, met een doek over de dokalamp, was duidelijk te zien hoe de bescheiden vonk een prachtige blauwe gloed in de tonic opwekte. Zelfs dwars door het PET-plastic. De tonic werkt, het PET laat uv door, de geiser zendt geen uv uit en de Omo-witmaker werkt dus kennelijk ook op gewoon violet.