Verkiezingen in het teken van de aanslagen

De aanslagen van donderdag in Madrid kunnen van doorslaggevende invloed zijn op de uitslag van de verkiezingen die morgen in Spanje worden gehouden.

Morgen gaat Spanje naar de stembus om zijn parlement te kiezen. En hoewel Spanjes jonge democratie genoeg dramatische momenten kent, zijn de omstandigheden waaronder nu de stemmen worden uitgebracht uitzonderlijk. De ongekende terreuraanslag waar Madrid donderdag door werd opgeschrokken, mocht geen invloed hebben op de democratische gang van zaken, zo luidde het breed gedeelde principe van de volksvertegenwoordiging. Maar niemand in Spanje maakt zich veel illusies: de aanslagen kunnen van doorslaggevende invloed zijn op de verkiezingsuitslag.

Aan de kop van de stoet van de miljoenen Madrilenen die gisteren uit protest de straat op ging klonk gisteren de centrale vraag: ,,Wie was het? We willen de waarheid weten.'' Dat was niet alleen een kwestie van op wie de woede zich moet richten, maar ook een vraag hoe straks moet worden gestemd. Geloven de stemmers dat de daders gezocht moeten worden bij de Baskische terreurbeweging ETA, dan zal de nu regerende Partido Popular van de vertrekkende premier José María Aznar kunnen rekenen op winst. Vermoedt de kiezer de hand van Al-Qaeda, dan gaat het deze partij stemmen kosten.

Spanje weet niet wat het van de aanslagen moet denken. Aznar leek zich gisteren tijdens zijn persconferentie na afloop van de laatste ministerraad bewust van het gevaar. De premier toonde zich enigszins onzeker en hakkelde bij vragen die werden gesteld over de mogelijke betrokkenheid van Al-Qaeda. Bij een vraag over de suggestie vanuit de socialistische partij dat de regering geen open kaart speelt over het lopende onderzoek, leek het er op of de premier moeite had zichzelf onder controle te houden. ,,De Spanjaarden zullen alles weten. Een regering die enigszins bij zijn hoofd is zal geen informatie achterhouden'', aldus Aznar geïrriteerd.

Terrorisme en informatievoorzieningen waren precies de zaken die zorgden voor een verkrampte en gespannen sfeer in de verkiezingscampagne die na de aanslagen werd stilgelegd. De linkse oppositie verweet de conservatieve partij zich ten onrechte op te werpen als enige bestrijder van de ETA-terreur, een thema dat volgens het herenakkoord tussen Spaanse politici hoe dan ook buiten de campagne dient te blijven.

Voorts regende het beschuldigingen van manipulatie van de media. Premier Aznar in het bijzonder werd ervan beschuldigd de Spanjaarden te hebben voorgelogen over het bestaan van de massavernietigingswapens in Irak, ooit het doorslaggevend argument van de Spaanse steun aan de inval in dat land. Aznar heeft geweigerd verantwoording af te leggen in het parlement over de steun aan deze oorlog, een zaak die door negen van de tien Spanjaarden werd verworpen. En uitgerekend Irak wordt genoemd als mogelijk argument voor Al-Qaeda om aanslagen in Madrid te plegen.

Achter het vertoon van eenheid in de vorm van de miljoenendemonstraties, schuilt dan ook een gespannen afwachting of er nog voor de verkiezingen duidelijkheid komt in de schuldvraag rond de aanslagen. De regering maakte de verwarring er niet minder door bij monde van minister van Binnenlandse Zaken Ácebes aanvankelijk te verklaren dat er geen enkele twijfel mogelijk was over de betrokkenheid van ETA, een opstelling die later door Aznar gecorrigeerd werd, overigens zonder duidelijk te maken waar de eerdere stelligheid nu eigenlijk op gebaseerd was. Zoiets telt mee in een situatie waarin hard bewijs ontbreekt, maar de schijn een betrokkenheid van Al-Qaeda steeds minder uitsluit.

De scherpe toon van verdeeldheid die het politieke debat beheerste, stond in merkwaardig contrast met de belangrijkste kandidaten in deze verkiezingen. Aznars opvolger Mariano Rajoy (49) is een man die in tegenstelling tot zijn voorganger zijn best doet om nooit vijanden te maken. Een wat vroegoude, beminnelijke apparatsjik uit de conservatieve provincie, die verschillende ministerposten heeft bekleed. Een betrekkelijk ongedefinieerde politicus, altijd inzetbaar als loodgieter om problemen op te lossen.

Het antwoord van de oppositie is José Luis Rodríguez Zapatero (43), die vier jaar geleden bij de socialistische partij PSOE bij verrassing werd gekozen als partijleider. Een man van het midden wiens belangrijkste wapens bestaan uit integriteit en hoffelijkheid, deugden die in het Spaanse politieke slagveld niet hoog worden aangeslagen. Te netjes in het debat, te veel kansen laten liggen, zo was het oordeel. En bovendien wekte de nieuwe leider de indruk de grootste moeite te hebben om de altijd sluimerende onrust binnen zijn eigen partij de baas te kunnen.

Er waren eigenlijk drie grote campagnes tijdens de verkiezingen, zo is al opgemerkt. Die van de socialisten. Die van conservatieve lijsttrekker Rajoy als het gematigde gezicht van de Partido Popular. En de oorlogscampagne onder leiding van vertrekkend premier Aznar, wiens toon in de laatste jaren steeds stugger en steeds meer autoritair werd. De keuze voor de kiezer is daarbij geen gemakkelijke. Links wil Irak verlaten en het defensiebudget bevriezen ten gunste van een diepte-investering in het onderwijs. Rechts heeft goede economische resultaten geboekt en toont nu een vriendelijker gezicht. Volgens de laatste enquêtes wint de Partido Popular, maar verliest zij de absolute meerderheid. Maar dat was voor de aanslagen van donderdag. De uitslag ligt nu tot op het laatste moment open.