Spitsuur

Een geleerde columnist vertelde me dat hij tegenwoordig met de auto naar zijn werk ging. Dat, zei ik, valt me van u tegen. Toen ik, nog in de Koude Oorlog, met de trein door Oekraïne en Rusland reed, door de onmetelijke vlakten die je daar hebt, dacht ik aan Napoleon en Hitler. Mensen die zich voor grote staatslieden verslijten, veroveraars, zouden verplicht moeten worden eerst een fietstocht of een voetreis door het land van hun begeren te maken. Zoals ik al eerder, bij voorkomende gelegenheden heb geschreven: luchtmachtgeneraals die een stad als doelwit in gedachten hebben moeten zich eerst zelf laten bombarderen, desnoods met chirurgische precisie.

Voor je je gaat bemoeien met je voorgenomen doel, moet je het zo goed mogelijk leren kennen. Daarom is het jammer dat de dienstplicht is afgeschaft. Alleen in de strijdkrachten leren de jongens en tegenwoordig ook de meisjes elkaar goed kennen. De Amsterdammer komt grondig te weten welke hebbelijkheden de Limburger eigen zijn, en omgekeerd, enzovoort. Het zou ook een oplossing kunnen zijn voor allerlei gedonder dat nu de natie bezighoudt. En in ieder geval is het voor een columnist die over het volk, de mensen schrijft – en welke columnist doet dat niet – noodzakelijk regelmatig het openbaar vervoer te gebruiken. De geleerde columnist die ik hier bedoel haastte zich te verzekeren dat hij nog elke dag in de tram zit. Daarmee herstelde hij mijn vertrouwen.

Vandaag gaat het hier over de ochtendspits van gisteren. Schuin rechts voor me zat een meisje of vrouw van een jaar of vijfentwintig aan de laatste fase van haar ontbijt. Het boterhammetje was op, ze haalde een etuitje uit haar tas, en daaruit het make-up gereedschap, een spiegeltje, een doosje, een borsteltje. Ze begon met haar wimpers. Toen waren haar oogleden aan de beurt, ze zette streepjes, ik ga dat verder niet allemaal opschrijven. Ik bewonderde de vaardigheid waarmee ze alles vasthield, de zekerheid, de nauwkeurigheid van haar bewegingen. Ze was volstrekt verzonken in die ingewikkelde onderneming waaruit ze straks mooi, weerbaar en hoopvol tevoorschijn zou komen. En dan aan het werk.

Achter me zat iemand van ik schat dezelfde leeftijd in haar mobieltje over haar leuke gisteravond verslag te doen; zo smakelijk en gedetailleerd dat ik me moest bedwingen om niet even om te kijken. Bij de voorste uitgang maakten twee mannen van midden in de dertig zich gereed voor de halte. Nog niet zo lang geleden zou je ze `yuppen' hebben genoemd, young urban professionals, maar mijn gevoel zegt me dat dit een ouderwets woord begint te worden. Aankomende CEO's, Chief Executive Officers, lijkt me beter. Het was vier graden boven nul, ze hadden handschoenen aan. Op weg naar de uitgang hadden ze een werveling van aftershave door het gangpad getrokken.

Nog een stelling, of liever, een constatering. Een, voorzover ik kan beoordelen, mondiale ervaring: in de ochtendspits ruikt het openbaar vervoer naar zeep. De geur van zeep is hoop. Je hebt je gewassen, je gaat op je best de wereld in, je houdt rekening met de wereld en je verwacht dat dit wederzijds zal zijn. Zeep, make-up, handschoenen, aftershave, een belangrijk uitziend koffertje, allemaal bewijzen dat je die ochtend in de spits een toekomst tegemoetgaat die je onwankelbaar waant. En de volgende seconde ben je dood, verminkt door een ontploffing. Op elf september 's ochtends om een uur of negen is de toekomst van drieduizend mensen opgeblazen; nu in Madrid die van tweehonderd, als je alleen de doden telt. Maar het zijn er natuurlijk veel meer.

In september 1939 heeft Menno ter Braak een oorlogsdagboekje bijgehouden. De oorlog was uitgebroken maar had ons nog niet bereikt. Voor `ons' was het allemaal nog rijkelijk theoretisch. Toch noteerde Ter Braak al een preoorlogservaring. Er is, schreef hij ongeveer, een behoorlijke dosis optimisme nodig om bij oorlogsdreiging 's ochtends je das te strikken.

Sinds de fotografie bestaat, zijn er foto's van toestanden aan het front gemaakt. Al die gesneuvelden hebben zich naar de eisen van de omstandigheden zorgvuldig aangekleed. Nou ja, zult u zeggen, ze wisten wat ze konden verwachten, maar je kunt moeilijk met losse veters en in je onderbroek gaan vechten. Daar zit iets in. Oorlog is oorlog. Iedere gesneuvelde heeft tot het laatste ogenblik gehoopt dat hij de uitzondering zou zijn.

Dit is anders. Deze terreur overvalt de mensen in de rug, terwijl ze van niets anders vervuld zijn dan hun onmiddellijke toekomst. Ik ken weinig situaties die zo gespeend zijn van boosaardigheid als het spitsuur in het openbaar vervoer. Nu, bij zo'n aanslag als in Madrid, heeft de oorlog de vrede, hoop en onschuld van het spitsuur overvallen.