New York zoekt nieuwe bazen kunsthuizen

De belangrijkste (muziek)theaters van New York zijn toe aan grondige vernieuwing. Alledrie zijn ze bovendien op zoek naar een nieuwe directeur.

Groots en meeslepend zijn de kunsthuizen van New York. Groots en meeslepend hun crises en hun vacatures. Bij de Metropolitan Opera en Carnegie Hall gaan zij samen. Het Public Theatre zoekt alleen maar een nieuwe creatieve duizendpoot.

Het muzikale verhaal begint met de snelle slijtage van het Lincoln Center. De muziektempel aan Broadway (tussen 62ste en 65ste straat West)is pas veertig jaar oud maar het complex oogt gedateerd. De koele, destijds als sjiek ervaren architectuur wordt nu gezien als reden waarom de Metropolitan Opera, het New York Philharmonic, de City Opera en City Ballet moeite hebben hun publiek vast te houden.

Na jaren touwtrekken op hoog niveau, en inschakeling van architecten onder wie Frank Gehry die een gigantische koepel over het winderige plein wilde trekken, kwam opeens het plan het orkest te laten emigreren naar de Carnegie Hall, dé klassieke concertzaal aan 7th Avenue en 57ste straat in Manhattan.

Het leek de zoveelste fusie als oplossing van alle zorgen, bedacht door de grote zakenmannen in de besturen van deze muzikale instellingen. De reacties logen er niet om. Paniek in Lincoln Center, dat een vitaal element zou missen bij de exploitatie, en zeker bij de renovatie die een miljard dollar moest gaan kosten. De Metropolitan Opera was ook niet blij.

Bijna even heftig was de schrik bij de Carnegie Hall, waar de jonge directeur Robert Harth de laatste stofnesten in de programmering in twee jaar had weggewerkt. Met de ingebruikneming van de Zankel Hall (644 stoelen) was een ideaal gebouw voor de breedste variatie aan muziek ontstaan; de `grote' Isaac Stern zaal heeft 2800 plaatsen, de `kleine' Weill-zaal 268.

Dat was vorig jaar. Nu ziet alles er anders uit. De fusie is afgeblazen. Er waren meer bezwaren dan voordelen. De mensen die het moesten doen zagen er niet veel in, de financiële voordelen waren op zijn best speculatief. Erger, Robert Harth is plotseling overleden. Vandaar de vacature voor wat mag gelden als de mooiste baan voor iemand die klassieke muziek kan programmeren iedere musicus en ieder orkest die de wereld aankunnen willen er spelen.

In het Lincoln Center gaat de `Metropolitan Soap Opera', zoals New York Magazine de eindeloze verwikkelingen noemde, intussen verder. Nu heeft de City Opera, de minder pretentieuze huisgenoot, gedreigd weg te gaan. De gemeente New York houdt onder burgemeester Bloomberg de hand op de knip.

De onzekerheid is toegenomen door het aangekondigde vertrek van Joseph Volpe. Hij zal pas in 2006 opstappen, maar de `general manager', die opklom van leerling-timmerman tot heerser over een van de grote operahuizen in de wereld, zal zijn stempel niet meer kunnen drukken op de toekomst van de `Met'. De vacature (salaris plus premies één miljoen dollar) is geknipt voor een kampioen fundraising, die de groten van het muziekdrama kan behagen en bestieren.

Uiterlijk minder theatraal is de derde opvolgingskwestie, die bij het Public Theatre aan Lafayette Street. Het vijftig jaar geleden door Joseph Papp opgezette en grandioos geleide New York Shakespeare Festival biedt al decennia voorstellingen van bestaande en nieuw geschreven stukken. Het begrip `experimenteel toneel' heeft er nooit aan betekenis ingeboet.

George Wolfe, die het Public sinds 1993 met groot succes heeft geleid, wil meer tijd hebben voor `de chaos in zijn eigen hoofd', hij werkt aan een toneelstuk, een roman en films. Het is de meest bescheiden gehonoreerde van de drie vacatures, maar voor het voortbestaan van New York als toneelhoofdstad van de wereld een sleutelbenoeming.