Lidstaten dwarsbomen EU-terreurbestrijding

Al jaren probeert Eurocommissaris Vitorino de Europese terreurbestrijders tot nauwere samenwerking te bewegen. Tot dusverre vergeefs. De nationale ministeries willen zo weinig mogelijk met elkaar delen.

Een van de eerste dingen die Eurocommissaris António Vitorino na de aanslagen in Madrid op 11 maart deed, was een `brainstorming sessie' voor `terreur-experts' beleggen. Vitorino, die bevoegd is voor Justitie en Binnenlandse Zaken, probeert politiechefs, inlichtingendiensten en andere terreurbestrijders in de Europese Unie al jaren zover te krijgen dat ze nauwer gaan samenwerken. ,,Dit is voor hem hét moment'', zegt iemand die erbij was, ,,om wat koppen tegen elkaar te slaan. Want die samenwerking verloopt belabberd.''

Of Vitorino politie, justitie en veiligheidsdiensten in de vijftien – spoedig 25 – EU-lidstaten kan opporren om elkaar intensiever te gaan helpen bij de terreurbestrijding, hangt voor een groot deel af van het antwoord op de vraag wie er verantwoordelijk was voor de aanslagen in Madrid.

Als de ETA erachter zat, zegt men bij de Europese Commissie, zal de samenwerking tussen al die nationale apparaten op het huidige niveau blijven voortsukkelen. Dan zijn de aanslagen een `Spaans probleem', en is de noodzaak om de handen structureel ineen te slaan voor de meeste landen niet zo acuut.

Maar als blijkt dat die aanslagen het werk waren van een islamitische terreurorganisatie als Al-Qaeda, dan zou de Europese terreurbestrijding wel eens in een stroomversnelling kunnen raken. Want dan is nog eens belicht dat andere Europese hoofdsteden wellicht ook niet veilig zijn – vandaag Madrid, morgen Londen of Brussel.

71 procent van de Europanen, zo bleek deze week uit een opiniepeiling, vindt dat misdaadbestrijding Europees aangepakt moet worden. De binnengrenzen van de Unie zijn weggevallen, criminelen en terroristen gaan ongestoord van het ene land naar het andere. Veel mensen zijn bezorgd over die internationalisering van de criminaliteit, en willen dat daar ook een Europees antwoord op komt.

Dit lijkt de logica zelve: een Europees probleem vereist een Europese aanpak. Daarom besloten de regeringsleiders van de vijftien lidstaten in 1999 om hun politie- en veiligheidsdiensten beter te laten samenwerken. De Commissie kreeg, als overkoepelend orgaan, de taak om dat te coördineren.

Nu, bijna vijf jaar later, is er op papier veel gebeurd. Europol in Den Haag verzamelt informatie, waar iedereen uit kan putten. Magistraten werken samen in Eurojust. Dat was er allemaal vroeger niet.

Maar het zijn debating clubs, meer niet. ,,Dat komt,'' zegt een ingewijde, ,,doordat agenten en mensen van ministeries in vijftien landen zo weinig mogelijk met elkaar willen delen. Ze zijn gewend om nationaal te werken. Ze willen geen pottenkijkers. Die mensen produceren enkel documenten. Daarna gaan ze fijn naar huis om te doen waar ze voor zijn aangenomen: eígen boeven vangen.''

Politie- en inlichtingenmensen zitten nooit samen aan tafel, in Brussel. De cultuurverschillen tussen hen zijn enorm. Maar voor een goede, Europese terreurbestrijding is dit een groot obstakel. De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken spreken in Brussel mooie actieplannen af, maar zitten hun ondergeschikten zelden achter de broek om er wat mee te doen. Ze zitten te veel met hun hoofd in de nationale politiek, klaagt men in Brussel. Vandaar dat er uit de databestanden van Europol weinig te putten valt: er zijn maar een paar landen die daar informatie in stoppen.

De politiechefs zien elkaar over tien dagen weer in Ierland. Maar daar komt zelden iets concreets uit, behalve de belofte om meer samen te werken. De Counter-Terrorist Task Force, met experts uit alle lidstaten, is al opgeheven wegens gebrek aan voortgang. En nu stelt de Belgische premier voor om naar aanleiding van Madrid ook een Europees inlichtingenbureau op te richten.

De balans van vijf jaar Europese terreurbestrijding is, kortom, dat burger op dit punt méér Europa wil, maar dat hun eigen politici en agenten hem dat niet geven. Alleen als de nood echt aan de man komt, opereren zij met collega's uit andere landen. Toen Romano Prodi en andere Europese functionarissen in december pakjes met explosieven over de post kregen, sloegen Belgische, Italiaanse en Nederlandse agenten de handen ineen – buiten Brussel om.

Ook vragen justitie, politie en inlichtingendiensten collega's in andere landen om informatie over verdachte moslim-radicalen. Soms krijgen ze die, soms niet.

De enige vorm van samenwerking die echt duurzaam is, is die tussen grensregio's. Criminelen die gauw de grens over vluchten omdat ze weten dat de politie hen daar niet kan achtervolgen, worden zo'n probleem dat de lokale politie soms de telefoon pakt en `iets regelt' met het buurland.

Maar ook deze lokale initiatieven gaan nadrukkelijk buiten Brussel om. ,,Tot een efficiënte Europese terreurbestrijding kan dit met geen mogelijkheid leiden'', zegt een terreur-expert in Brussel. ,,Want die draait niet om één-tweetjes. Die draait om structureel, onbaatzuchtig samenwerken. En met zijn allen.'' Daar is een mentaliteitsverandering voor nodig, bij alle betrokkenen. En of de aanslagen in Madrid die verandering kunnen bewerkstelligen, is een open vraag.