Kinderen kennen doden positieve emoties toe

De kennis van kinderen over wat `dood zijn' betekent maakt een opmerkelijke ontwikkeling door. Vier- tot zesjarigen weten al vrij goed (65%) dat lichamelijke functies ophouden bij iemand die dood is. Omdat ze weinig onderscheid maken tussen lichamelijke en mentale eigenschappen, gaan deze kinderen er meestal ook vanuit dat mentale activiteit ook wel zal ophouden. Meer dan de helft denkt bijvoorbeeld dat doden niets meer kunnen waarnemen. Bij oudere kinderen, als het onderscheid tussen lichaam en geest beter gevestigd is, wordt er wel een scherper onderscheid gemaakt. Geen enkele twaalfjarige twijfelt eraan dat een dode geen honger kan hebben (bij vier tot zesjarigen denkt 53% dat wel). Van de twaalfjarigen denkt wel 80% dat een dode nog wel van zijn moeder kan houden. Opmerkelijk is dat ook 64% van de ondervraagde jongvolwassenen (20-jarige studenten) dit nog vindt. Dit blijkt allemaal uit een onderzoek waarbij kinderen en volwassen werden ondervraagd naar aanleiding van een nogal treurige poppenkastvoorstelling over een baby-muisje dat werd opgegeten door een alligator. Een van de vragen was bijvoorbeeld `denk je dat de muis nog de bloemen kan ruiken?' (Developmental Psychology, maart).

Het is het eerste systematische onderzoek naar de ideeën die bij kinderen leven over de geest van `gestorven organismen', zo schrijven de onderzoekers, Jesse M. Bering (Universiteit van Arkansas) en David F. Bjorklund (Florida Atlantic University). Opmerkelijk is dat de kinderen (en de jongvolwassenen) duidelijk moeite hebben om vooral positieve emoties te ontzeggen aan de dode (de dode babymuis). Slechts 20 procent van de twaalfjarigen hield het voor mogelijk dat de dode muis nog woede zou voelen, tegenover maar liefst 66 procent die dacht dat hij nog altijd zou vinden dat zijn moeder de liefste van de hele wereld is.

In een eerder onderzoek had Bering al eens vastgesteld dat zelfs volwassenen die zeggen niet te geloven in een leven na de dood, grote moeite hebben om toe te geven dat personen die net zijn omgekomen bij een ongeluk niet meer kunnen denken of voelen, terwijl ze geen enkele moeite hebben om te zeggen dat deze persoon niets meer kan zien of ervaren van de buitenwereld. Bering en Bjorklund suggereren dan ook dat er een soort aangeboren neiging bestaat te geloven in het voortbestaan van de `geest' cq `ziel' na de dood: ``Zowel bij jagers-verzamelaars als in moderne samenlevingen is er een overvloedige angst voor spoken en dode mensen, vrijwel net zo algemeen als de evolutionair aannemelijker angst voor slangen en spinnen.''