Het einde van een illusie

Dertien explosies troffen donderdag in Madrid vier forensentreinen met als gevolg ten minste 198 doden en meer dan 1.400 gewonden. Maar het monster van de terreur heeft nog geen gezicht.

Is het de ETA of Al-Qaeda? Op zoek naar de feiten.

Spanje's superrechter Baltasar Garzón heeft een volle agenda. De man die er op een haar na in slaagde ex-dictator Pinochet aan Spanje uitgeleverd te krijgen geldt als een onvermoeibare onderzoeksrechter die er plezier in schept de meest spectaculaire zaken in het land aan te pakken. De bestrijding van de ETA natuurlijk, de aanpak van de grote drugsclans uit Galicië én de terreur op mondiaal niveau. In september vorig jaar verscheen er een nieuwe naam op zijn werklijst: Osama bin Laden, opsporing en uitlevering verzocht wegens deelname aan een misdadige organisatie en terreurmoorden. Samen met 34 handlangers, van wie er elf sinds eind 2001 in een Spaanse cel zitten, zal Bin Laden zich in Spanje moeten verantwoorden voor de aanslagen in New York, Washington en Pennsylvania.

Er werd wat giechelig gedaan over dit huzarenstukje van de onderzoeksrechter. Sommige commentatoren spraken zonder meer van flauwekul. Maar volgens Garzón is er een rechtsgrond voor uitlevering: Er waren Spanjaarden onder de slachtoffers van de aanslagen op de torens van het World Trade Center in New York en de voorbereiding en logistieke ondersteuning van de aanslagen had in belangrijke mate plaatsgevonden op Spaans grondgebied.

Daarvoor moeten we terug naar de zomer van 2001. Ramzi Binalshibh, het veronderstelde brein achter de aanslagen van 11 september, verbleef in juli enige tijd aan de Costa Blanca voor een bijeenkomst met Mohammed Atta. Atta, de commandant van het groepje piloten dat de aanslagen uitvoerde, vloog zichzelf te pletter. Binalshibh leeft en werd een jaar later opgepakt in Pakistan. Nu zit hij vast in het detentiecentrum van Guantánamo Bay. Uit zijn getuigenis, gepubliceerd in het dagblad El País, blijkt dat de ontmoeting bedoeld was als laatste `top' om de puntjes op de i te zetten. Een dikke week hadden de twee terroristen nodig om de plannen uit te werken. Daarna vertrok Atta naar Madrid en nam een vliegtuig richting Fort Lauderdale. Binalshibh reisde terug naar Hamburg.

Dat Spanje een centrale rol heeft gespeeld in het losvaste netwerk van terreurbewegingen dat bekendstaat als Al-Qaeda, is niet toevallig. Het fundamentalistische gedachtegoed van Bin Laden is vervuld van dweperige symboliek uit de glorietijd van de islam, toen de moslims grote delen van het Middellandse Zeegebied beheersten. Geen wonder dat de leider van Al-Qaeda in een van zijn dreigende toespraken Al-Andalus noemde, het zuidelijke Spanje, dat eeuwenlang de parel van de islamitische macht vormde. Hun verdrijving uit het zuiden van Spanje is nog altijd diep verankerd in het historisch bewustzijn van de moslims. Meestal als een bron van weemoed, maar in het geval van Bin Laden als manier om eraan te herinneren waar zich de vijand van de islam bevindt.

In dezelfde zomer van 2001, een maand voordat Atta en Binalshibh hun ontmoeting in de Spaanse zon belegden, bracht George Bush jr. een officieel bezoek aan Madrid. De nieuwe president van de Verenigde Staten had zijn gastheer premier Aznar bij vertrek richting Spanje nog per abuis `president Anzar' genoemd, maar voor het overige was de ontmoeting een groot succes. Beide leiders lagen elkaar direct en Aznar was trots dat Spanje was verkozen als het eerste Europese land dat de president aandeed. Dat zou die arrogante Fransen en Duitsers leren als ze weer eens weigerden Spanje voor vol aan te zien.

De aanslagen van Al-Qaeda, drie maanden later, zouden de vriendschap verder verdiepen. Terreur, dat was bekend terrein voor Aznar. Van de ETA weliswaar en dus van een iets andere orde, maar zoals de premier tot op de dag van vandaag pleegt te herhalen: of het nu religieus of etnisch fanatisme is, terreur is terreur. Het verschilt in de uitgangspunten, maar nooit in de gevolgen. De Spaanse basis van Al-Qaeda maakte een samenwerking van de wederzijdse inlichtingendiensten des te noodzakelijker.

Onderzoeksrechter Garzón zat onderwijl evenmin stil. In november van 2001, twee maanden na de aanslagen, volgde de arrestatie van acht leden van een veronderstelde Al-Qaedacel die zou opereren vanuit Madrid. Centrale persoon was de van oorsprong Syrische Imad Eddin Barakat Yarkas, alias Abu Dahdah, die een lokale moskee als uitvalsbasis zou gebruiken voor de recrutering van Al-Qaedaleden. Afgeluisterde telefoongesprekken zouden mogelijk verwijzingen naar de aanslagen van de elfde september bevatten. In de pers verschenen foto's van Abu Dahdah die met zijn pistool schietoefeningen deed in een tuin. Het werd het begin van hele reeksen arrestaties. Soms leek de Spaanse justitie daarbij de plank volledig mis te slaan. Zoals in Catalonië waar een groep veronderstelde terroristen in vrijheid werd gesteld nadat, naar verluidt, de zakken met onbekend poeder die in hun bezit waren aangetroffen geen gif of springstof maar waspoeder bleken te bevatten. Maar gaandeweg ontstond toch een beeld van een stevige infrastructuur waar de fundamentalistische terreurorganisatie op kon rekenen.

Aznar besloot intussen de politieke vriendschap met Bush te bestendigen. In een poging zijn internationale positie te versterken profileerde Spanje zich zeer zichtbaar als een van de vooraanstaande strijders in de alliantie tegen de `as van het Kwaad'. Een jaar geleden, op de top van de Azoren over Irak, schitterde Aznar als een volwaardige partner van Bush en de Britse premier Tony Blair. ,,De Spanjaarden zullen nergens veilig zijn, zelfs niet in hun huizen'', verklaarde Mohammed Bakri, leider van de islamitische Al Muhajeroun-beweging en officieus woordvoerder van Bin Laden, vanuit Londen tegenover een Spaans weekblad.

In eigen land had de steun aan de oorlog in Irak zijn prijs. Negentig procent van de Spanjaarden toonde zich tegenstander van het oorlogsgeweld. Miljoenen gingen de straat op. Onder hen bevond zich Baltasar Garzón. In een open brief aan de premier schreef hij de volgende waarschuwing: ,,Het enige dat deze niet gerechtvaardigde oorlog zal brengen is een intensivering van de fundamentalistische terreur op middellange en lange termijn [..] Zij versterkt zich op verschillende plekken waaronder Spanje op een wijze die even evident als verschrikkelijk is en u wilt of kunt het niet zien.'' Garzón was niet de enige die waarschuwde. Jorge Dezcallar, de nieuwe chef van de Spaanse spionagedienst CNI sprak een maand later tijdens een bijeenkomst van militaire inlichtingendiensten zijn angst uit voor aanslagen van islamitische fundamentalisten naar aanleiding van de Spaanse steun in Irak. Spanje werd ook genoemd op de lijst van landen die Osama bin Laden later zou opsommen als potentiële doelwitten van Al-Qaeda.

De ochtend van de aanslagen van 11 maart liet minister van Binnenlandse Zaken Ácebes er geen twijfel over bestaan: het was ,,absoluut duidelijk en evident'' dat de ETA en niet Al-Qaeda achter de aanslag zat. Later die dag werd in een bestelwagentje naast de ontstekingsmechanismen voor de gebruikte bommen een bandje met koranteksten gevonden en in een brief werd de aanslag opgeëist door een van de brigades uit het Al-Qaedanetwerk. Geen overtuigende bewijzen, maar genoeg om de twijfel te zaaien. Een aanslag op een breed publiek, uitgevoerd op verschillende plaatsen, maar op hetzelfde moment en met als doel een zo groot mogelijk aantal slachtoffers en zo veel mogelijk schade. Was dat niet het handelsmerk van Al-Qaeda? Alleen de zelfmoordterroristen ontbraken. Het leek erop of Al-Qaeda had iets van ETA geleerd. Of andersom.

De volgende dag, toen alle opties weer open lagen, vroeg een journalist aan premier Aznar of er een reden was voor de aanvankelijke stelligheid waarmee de aanslag niet aan Al-Qaeda werd toegeschreven. Hij kreeg geen antwoord. ,,Er zijn geen nuances als het gaat om het veroordelen van terreurorganisaties'', aldus de premier.

Wanhoopsdaad van de ETA

Spanje heeft met de ETA leren leven. De terreur van de Baskische afscheidingsbeweging was als een beest dat af en toen uit zijn hol kwam en toesloeg. Bewaking in officiële gebouwen, detectiepoortjes, politie met machinegeweren: het hoort bij het Spaanse straatbeeld zoals een veiligheidsgordel in een auto. Een ongemakkelijk, maar noodzakelijk kwaad.

In Baskenland was de situatie nog het meest bedreigend. Een leger van duizenden lijfwachten bewaakt daar permanent niet-nationalistische politici, journalisten, kunstenaars en wetenschappers. Een normaal functionerende democratie is daardoor in deze regio vrijwel onmogelijk.

Sinds de ETA in 1959 werd opgericht door een handjevol studenten, is er veel veranderd. Toen was dictator Franco aan de macht, die de Baskische provincies in een ijzeren greep hield. Jezuïtisch-geïnspireerde jongeren vonden de bestaande Baskische nationalistische partij PNV te tam. De revolutie naar marxistisch-leninistisch model leek hen een stuk aantrekkelijker.

In 1961 pleegde de ETA een aanslag die de beweging jarenlang populair maakte in de rest van Europa. In Madrid werd op spectaculaire wijze admiraal Luis Carrero Blanco, alter ego en gedoodverfd opvolger van Franco, opgeblazen. ETA-leden hadden springstof aangebracht onder de weg. De explosie was zo hevig dat de Dodge van de admiraal dertig meter hoog over de daken van de huizen vloog en in een patio terechtkwam.

De dictator nam de repressie van de ETA kordaat ter hand – compleet met de dood aan de wurgpaal. Het maakte het regime nog gehater in Baskenland, waar een belangrijk deel van de bevolking sinds het einde van de negentiende eeuw toch al het nationalisme had omarmd.

Binnen de ETA werd stevig gediscussieerd over middel en doel. De ene na de andere afsplitsing volgde. Een steeds hardere kern bleef over. Toen Spanje in 1977 democratisch werd, kregen de meeste ETA-gevangenen amnestie. Veel van de politieke activisten legden de wapens neer en keerden zich van de beweging af.

Toch was de eerste helft van de jaren tachtig de meest bloedige periode uit de geschiedenis van de ETA. Alleen al in 1980 vielen 118 doden. Er ging geen week voorbij zonder een aanslag. Bij de steeds fanatiekere aanhang daagde het besef dat de beweging, nu Spanje een democratie was, nooit voldoende stemmen zou krijgen om haar idealen te kunnen verwezenlijken.

Die idealen kwamen in belangrijke mate overeen met die van de geweldloze en gematigde PNV. Dat wil zeggen: de vorming van Euskal Herria, het Groot Baskenland dat behalve de drie Baskische provincies bestaat uit de regio Navarra en de Frans-Baskische gebiedsdelen. In de nieuwe Spaanse grondwet werd die mogelijkheid uitgesloten. En dus was het zaak om de jonge democratie zo hard mogelijk te raken.

In terroristische zin waren de jaren tachtig en negentig het hoogtepunt van de ETA. Toch leek de kiem gelegd voor de ondergang de beweging.

De aanhang werd jonger, arrestanten waren steeds vaker vroege dertigers of twintigers. Die waren minder doorkneed in de nationalistische en marxistische principes dan hun voorgangers. De ETA verwerd tot een geroutineerde moordmachine, het geweld werd doel in plaats van middel.

Vaker ook werden de Basken zelf het slachtoffer van ETA. Het ging meestal om specifieke personen als militairen en politie-agenten. In de jaren negentig verschoof de vizier naar politici, inclusief raadsleden en wethouders van de meest onbetekenende stadjes. Ook journalisten, wetenschappers en kunstenaars in Baskenland vormden een doelwit voor een autobom of een nekschot.

Dat de ETA nog altijd bestaat, kan misschien worden verklaard uit de stijfkoppigheid die aan de Basken wordt toegeschreven. Baskenland is een regio waar zwijgzame mannen zich bekwamen in het steentillen. En een balsport waarbij een massieve leren bal met de blote hand tegen een muur geslagen wordt. In de kookclubs voor mannen, een oude traditie in het gebied, is het statutair verboden over politiek te praten. De deelnemers weten dat onder het genoeglijk tafelend gezelschap anders snel een slaande ruzie uit zal breken.

Kenners van Baskenland, zoals de filosoof en burgerrechtenactivist Fernando Savater, leggen een deel van de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de ETA bij de PNV. Die partij is sinds de invoering van de democratie 22 jaar onafgebroken aan de macht geweest in de Baskische regio – die een vergaande autonomie kent. Al die jaren zijn Basken opgevoed met de gedachte dat Baskenland een onderdrukte natie is, een natie die door `Madrid' ten onrechte haar onafhankelijkheid wordt ontzegd.

De PNV, zelf geweldloos, heeft altijd een dubbelhartige houding aangenomen tegenover de ETA: het geweld werd vaak gebagatelliseerd en nauwelijks aangepakt door de regionale politie. De PNV presenteerde zich als nationalistisch alternatief voor het geweld. ,,Sommigen schudden aan de bomen, anderen rapen de noten op'', zei voormalig PNV-voorman Xavier Arzalluz.

De Baskische minderheidsregering van de PNV presenteerde vorig jaar een plan voor een `vrije associatie met Spanje'. Volgens de niet-nationalistische partijen een eerste stap richting een soeverein Baskenland en daarom in strijd met de grondwet. Hierdoor bereikten de betrekkingen tussen de regering van Baskenland en die in Madrid een absoluut nulpunt. En de steeds radicalere stellingname van de PNV maakte het voor de ETA-aanhang steeds moeilijker. Ideologisch toch al niet meer sterk, werd de beweging ook nog eens rechts ingehaald op nationalistisch vlak.

Effectief optreden van de politie bracht de beweging verder in het nauw. Premier Aznar, die op 19 april 1995 te nauwer nood een aanslag van de ETA overleefde, maakte de bestrijding van de beweging tot zijn politieke hoofddoel. Betere samenwerking tussen Frankrijk en Spanje beroofde de terroristen van hun veilige vluchtoorden over de grens. En dan was er nog Spanje's superrechter Baltasar Garzón, die een verbeten oorlog tegen de ETA begon. Door niet alleen de moordcommando's aan te pakken, maar ook het politieke, sociale en financiële netwerk rondom ETA, zakte de organisatie steeds verder weg in een moeras. Vorig jaar, zeggen verschillende deskundigen, kwam de ETA-top bijeen om een uitweg uit de crisis te vinden. Een deel van de aanhang vond dat de wapens neergelegd moest worden. Een ander deel meende dat het tijd werd om ,,taboes te doorbreken''.

,,We weten nu wat ze daarmee bedoelden'', zegt Florencio Domínguez Iribarren, auteur van verschillende standaardwerken over de ETA, vanuit Bilbao. Ongerichte aanvallen op willekeurige burgers leken voor de ETA verleden tijd. De aanslag op de Barcelonese vestiging van de supermarkt Hypercor in 1987, waarbij 21 doden vielen, geldt als een uitzonderlijk zwarte bladzijde in de geschiedenis van de beweging. Het ETA-protocol schreef voor dat bommen in prullenbakken of geparkeerde auto's werden voorafgegaan door telefonische waarschuwingen, zodat de politie het gebied tijdig kon ontruimen.

Domínguez Iribarren ziet de aanslag van deze week als de daad van een beweging die zo verzwakt is dat zij haar geweld niet langer kan doseren. ,,ETA wil laten zien dat zij nog steeds in staat is het debat te bepalen.'' De verkiezingen vormen daarvoor in deze interpretatie een mooie aanleiding. Volgens Domínguez wil de ETA de situatie op de spits drijven. Door een nog nooit vertoonde, spectaculaire klap uit te delen, richt de volkswoede zich op Baskenland. De hoop is dat Spanje er genoeg van krijgt en dan de afscheiding voor lief neemt.

,,Als de ETA hierachter zit, is het een fundamentele verandering van strategie'', zegt Domínguez Ibarren. In dat geval is het niet uitgesloten dat Spanje vaker met dit soort aanslagen te maken krijgt.