De hervormers hebben spijt

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs moest kansarme en allochtone leerlingen emanciperen. Maar vijf jaar na de invoering zijn de vmbo-scholen in de grote steden zwart, haken hun leerlingen vaker af dan ooit en tellen ze steeds meer probleemleerlingen. Over bevlogen ambtenaren, afwachtende politici en het theezakjesmodel. `We hebben onderkantscholen gemaakt.'

Het is druk in de lerarenkamer van het Haagse Johan de Witt College. Fotografen en een cameraploeg drommen samen rond een grote taart die op tafel staat. Tweede-Kamerleden Boris Dittrich en Lousewies van der Laan (D66) staan ernaast. Dittrich houdt een kort toespraakje, de leraren luisteren aandachtig. ,,We bieden deze taart aan om het vmbo en jullie, de leraren, een hart onder de riem te steken'', zegt hij.

Het is een koude donderdagochtend, medio februari. Dezelfde dag opent de Groningse hoogleraar onderwijskunde John Peters in De Telegraaf de aanval op het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. De onderwijsvernieuwing is nog geen vijf jaar oud, zegt hij, en nu al ,,een zinkend schip''. De moord op onderdirecteur Hans van Wieren, in januari van dit jaar op een vmbo-afdeling van het Haagse Terra College, was volgens Peters ,,het topje van de ijsberg''.

Het vmbo, constateert hij, is ten dode opgeschreven en moet snel worden afgeschaft. De uitval van leerlingen is enorm, ze hebben steeds minder perspectieven en lijden onder het slechte imago van het vmbo. ,,Het is een kwestie van tijd voordat zich opnieuw incidenten voordoen'', aldus Peters.

Dittrich staat naast de tafel in de lerarenkamer, een microfoontje hangt aan zijn colbert. De krant houdt hij ontstemd voor zich. ,,Er komt zoveel over jullie heen'', zegt hij tegen de leraren. ,,Het vmbo komt keer op keer negatief in het nieuws.'' En wat gaat de fractieleider zelf doen om dat imago te verbeteren? Dittrich vertelt de leraren dat er ,,vanuit Den Haag'' zeker ,,meer aandacht moet komen'' om het vmbo te ,,ondersteunen''. En leerlingen die liever met hun handen werken, moeten daarvoor ,,de ruimte krijgen'', met ,,maatwerk''.

Een beetje afgezonderd eet rector Kars Veling zijn gebak van een servetje. Mooi, die aandacht van politici, zegt hij. ,,Maar een school hoort resistent te zijn tegen overheidsplannen. Een goede school maakt eigen beleid.''

Eigen beleid?

Nog geen jaar is Kars Veling rector van het Johan de Witt College. Zes jaar geleden stemde de oud-fractievoorzitter en -senator van de ChristenUnie nog voor de invoering van het vmbo. Is hij zo snel van mening veranderd?

Veling gebruikt zijn eigen school als voorbeeld. De vmbo-leerlingen in de `bovenste leerweg', het hoogste niveau, krijgen gescheiden van de andere vmbo-leerlingen les. In het gebouw aan de Glasblazerslaan zitten de scholieren die havo, vwo of vmbo theoretische leerweg het voormalige mavo volgen. Op de andere locaties zitten de leerlingen die de drie andere leerwegen volgen, het voormalige voorbereidend beroepsonderwijs (vbo).

Het mavo, die in 1999 met het vbo in de vmbo-scholen had moeten opgaan, bestaat op het Johan de Witt College dus nog gewoon. Veling: ,,Onze indeling houdt meer rekening met de leerlingen. De allochtone leerlingen in de theoretische leerweg kunnen havo of vwo vaak net niet aan, omdat ze een taalachterstand hebben. Op deze manier hebben zij meer kans dat zij alsnog doorstromen naar het havo.''

Blijft de vraag waarom Veling als senator voor een onderwijsvernieuwing stemde die hij als rector niet volledig uitvoert. Dat, zegt hij, heeft met politieke processen te maken. Altijd al was hij sceptisch over het vmbo, net als een groot deel van de Eerste en Tweede Kamer trouwens. Maar grote plannen krijgen in Den Haag een eigen dynamiek. En als die plannen goed van de grond komen, staan Eerste en Tweede Kamer voor een voldongen feit. ,,Dan kun je wel als enige demonstratief gaan dwarsliggen, maar je kunt beter er met zijn allen het beste van maken.''

De invoering van het vmbo was met afstand de grootste onderwijsvernieuwing in de jaren negentig, zegt hoofdinspecteur voortgezet onderwijs Liesbeth van Welie. Ingrijpender dan de basisvorming van staatssecretaris Wallage (PvdA), waarbij alle middelbare scholieren in de laagste klassen, ongeacht hun niveau, hetzelfde vakkenpakket kregen. Ingrijpender ook dan het andere Grote Idee, om de hoogste klassen van havo en vwo met het Studiehuis voor te bereiden op hogeschool en universiteit. ,,Nooit waren er zoveel leerlingen bij betrokken'', zegt Van Welie, ,,nooit zijn de onderwijsprogramma's en gebouwen zo grondig aangepast.'' De cijfers spreken voor zich: ruim zes op de tien leerlingen tussen de 12 en 18 jaar ongeveer een half miljoen scholieren `doet' vmbo. Het vmbo kost de overheid dit jaar 3,65 miljard euro, meer dan 70 procent van het totale budget voor het voortgezet onderwijs. Sinds 2000 komt daar jaarlijks ongeveer honderd miljoen euro bij.

Op de vmbo-scholen krijgen leerlingen les in één van de vier leerwegen, afhankelijk van hun niveau. Leerlingen die vroeger naar het mavo gingen, kunnen nu terecht bij de theoretische leerweg, terwijl scholieren die voorheen belandden op het vbo nu drie andere leerwegen kunnen volgen, met minder theorie. Kinderen met leer- en gedragsproblemen zitten niet meer in het voortgezet speciaal onderwijs of op lom-scholen, maar krijgen ook les op het `gewone' vmbo. Alle leerlingen kiezen een sector: techniek, zorg en welzijn, economie of landbouw. Sinds vorig jaar doen zij een centraal schriftelijk eindexamen in zes vakken, zodat iedere leerling met een `startkwalificatie' naar het mbo kan.

Politieke correctheid

Over het vmbo gaan twee verhalen. Het ministerie van Onderwijs, onderwijsorganisaties en de Tweede Kamer hangen de optimistische versie aan. Sinds het vmbo is ingevoerd, zeggen zij, is het niveau van het onderwijs opgekrikt. Vbo-scholieren trekken zich op aan leerlingen van mavo-niveau. Door het centraal examen dat door de overgrote meerderheid met succes is afgerond is het niveau van het vmbo gegarandeerd. Nergens zijn scholen zo vernieuwend en leraren zo idealistisch. ,,Ik hóúd van het vmbo'', zei Kamerlid Clemens Cornielje (VVD) onlangs.

Er is ook een tweede, veel somberder verhaal. De invoering van het vmbo zou het slechte imago van het voorbereidend beroepsonderwijs helemaal niet hebben verbeterd. Doorstroming naar het havo is onmogelijk gemaakt, kleine categorale scholen zijn de nek omgedraaid. De segregatie in het vmbo neemt bovendien hard toe in de onderste twee leerwegen van het vmbo is 15 procent allochtoon, in de grote steden zijn deze scholen vrijwel allemaal `zwart'. Ter vergelijking: in het vwo is landelijk slechts 5 procent allochtoon.

Doordat scholen sinds de invoering ook les moeten geven aan probleemleerlingen nemen ordeproblemen toe, opnieuw vooral in de grote steden. Scholen mogen geen leerlingen meer van school sturen en kampen daardoor met groepen onhandelbare leerlingen die geen kant meer uit kunnen. Nergens is het lerarentekort zo groot als in het vmbo. En de vorig jaar ingevoerde examens bleken zo simpel dat iedereen het wel móést halen.

Hoogleraar John Peters, die met zijn uitlatingen het werkbezoek van Boris Dittrich verstoorde, hangt deze laatste versie aan. Hij zegt: ,,Er hangt nog altijd een deken van politieke correctheid over het vmbo. Het is een taboe om over de problemen te praten.''

Wie zijn frustratie wil begrijpen, moet Peters' verleden kennen: zijn hele loopbaan is verweven met het onderwijsbeleid. Vijfendertig jaar heeft de onderwijskundige zich ingezet voor het ,,klassieke vormingsideaal'' van de sociaal-democratie. In de jaren zeventig dacht hij in discussiegroepjes mee over alfabetisering van kansarme bevolkingsgroepen en de nooit ingevoerde middenschool het idee van gezamenlijk onderwijs voor leerlingen van alle niveaus. Begin jaren negentig maakte hij zich met socioloog Kees Schuyt hard voor de basisvorming, het gezamenlijk lespakket voor mavo-, havo- en vwo-leerlingen in de onderbouw. Achttien lovende boekjes schreef hij over dit sociaal-democratische ideaal. Peters: ,,Het idee was steeds: laat alle leerlingen zoveel mogelijk kennis opdoen. Dat bevordert de integratie van scholieren met achterstanden. Die idealen zijn niet alleen in de basisvorming, maar ook in het vmbo terechtgekomen.''

Maar hij is wijzer geworden. In het ideaal van de maakbare leerling gelooft hij niet meer. ,,De ideeën hebben de tand des tijds niet doorstaan. Ze gaan uit van een eenvoudige samenleving die niet meer bestaat. Het aantal leerlingen met leer- en gedragsproblemen neemt toe. Die groep is niet gebaat bij alleen maar meer kennis. Het onderwijs is opgezadeld met een achterhaald concept.''

Bittere woorden vallen vaker in gesprekken met politici, adviseurs en beleidsmakers die bij de invoering van het vmbo betrokken waren. ,,Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald'', zegt Rein Zunderdorp. Hij was destijds voorzitter van het Procesmanagement voortgezet onderwijs (PMVO), een satellietorganisatie van het ministerie die de invoering begeleidde. ,,Het vmbo is een schoolvoorbeeld van overschatting van wat je met beleid kunt bereiken.''

Ankie Verlaan, bestuurslid van de Universiteit van Amsterdam, stond als ambtenaar aan de basis van het vmbo. Later gaf zij als directeur van het regionaal opleidingscentrum Amsterdam leiding aan een vmbo-afdeling. Nu zegt zij: ,,De invoering is veel te hard gegaan. Juist de leerlingen die extra zorg nodig hebben zijn de dupe geworden van het vmbo. De begeleiding is gebureaucratiseerd, ze maken examens die geen zin hebben. Ik vind dat heel kwalijk, het gaat om een kwetsbare groep leerlingen.''

Tweede-Kamerlid Ursie Lambrechts (D66) maakte mee hoe staatssecretaris Netelenbos (PvdA, Onderwijs) het parlement unaniem meekreeg met haar plannen. Ook zij stemde voor, nadat ze geen steun had gekregen bij andere fracties voor uitstel. ,,Het programma is te theoretisch, te overladen. De politieke fouten bij de invoering van de tweede fase zijn een paar jaar later in het vmbo gewoon herhaald.''

Restonderwijs

Ed Schüssler was in 1993 als adviseur van toenmalig minister Ritzen een voorstander van het plan. Hij zegt nu: ,,Er zitten weeffouten in de wet. Zoals het nu is georganiseerd kunnen we dit schijn-vmbo beter afschaffen. Het voormalige vbo is hard bezig een onderkantschool te worden. In de grote steden is dat nu al zo. Het mavo staat er met de rug naartoe, het zijn gescheiden schoolsoorten gebleven.'' En de examens, zegt Schüssler, hinderen de voorbereiding op het mbo eerder dan dat ze die verbeteren, omdat ze niet goed aansluiten op de stof.

Dat klinkt cynisch.

Schüssler knikt. ,,Ik ben ook cynisch.''

Begin jaren negentig maakten ambtenaren van het ministerie van Onderwijs zich zorgen omdat steeds minder jongeren met succes hun opleiding afrondden op de voormalige ambachts- en huishoudscholen. Steeds meer kinderen kwamen terecht in het veel duurdere voortgezet speciaal onderwijs. Bovendien waren de vbo-scholen zelf met hun kleine klassen relatief kostbaar. Daarbij had het vbo een imagoprobleem: bedrijven beschouwden het als restonderwijs en ouders stonden niet te juichen als hun kind naar het vbo moest.

Ook in het mavo groeiden de problemen. Een meerderheid met een mavo-diploma ging een vak leren in het middelbaar beroepsonderwijs, terwijl het examenprogramma vooral theoretisch was en voorbereidde op het havo. Het gevolg: in het mbo viel bijna de helft zonder diploma af; op technische opleidingen lag dat aandeel veel hoger.

Als eerste raadde onderwijsadviseur Ed Schüssler minister Ritzen (PvdA, Onderwijs) in 1993 aan het vbo- en mavo-onderwijs te hervormen. Leerlingen zouden in de toekomst landelijke examens moeten maken, die aan zouden sluiten op het mbo. Op termijn moesten mavo en vbo fuseren tot één onderwijsvorm, stond in het advies. ,,Het mavo veranderde sterk'', zegt Schüssler. ,,Het verloor veel leerlingen die havo gingen proberen en won juist aan de onderkant.''

Een tweede commissie, onder leiding van oud-minister Van Veen, legde een jaar later de basis voor wat nu het vmbo heet. De commissie stelde voor de vrije pakketkeuze af te schaffen en te vervangen door vier zogeheten leerwegen met verplichte vakkenpakketten in vier sectoren. Dit zou beter aansluiten op de basisvorming, die de leerlingen de eerste jaren van de middelbare school moeten volgen. Bovendien zouden zwakkere vbo-leerlingen een individueel programma moeten krijgen, met extra begeleiding.

Staatssecretaris Netelenbos (PvdA), die in 1994 aantrad, zag veel in de voorstellen. Ze zouden, meende ze, de emancipatie van allochtone leerlingen en kinderen met leerachterstanden kunnen bevorderen. Oud-ambtenaar Ankie Verlaan: ,,De basisvorming was van Wallage, het Studiehuis van Ginjaar-Maas (oud-staatssecretaris van de VVD, red.). Netelenbos wilde met het vmbo háár standbeeld neerzetten.''

Netelenbos koos hiermee voor een tweedeling in het voortgezet onderwijs. Het vmbo moest opleiden voor een vervolgopleiding in het mbo, het havo en vwo voor de hogeschool en universiteit. Aan het `stapelen' van diploma's wilde ze een einde maken. Voortaan zou iedere vbo- of mavo-leerling met een diploma op zak naar het mbo kunnen. Leerlingen die minder goed presteren moesten zich optrekken aan leeftijdgenoten die op dezelfde locatie de theoretische leerweg, het oude mavo, volgden.

Vervolg op pagina 34

De hervormers hebben spijt

Vervolg van pagina 33

Er was één probleem: de mavo's zaten helemaal niet op een fusie te wachten. Steeds meer mavo's gingen op in gemeenschappen met havo- en vwo-scholen. Ook de Tweede Kamer verzette zich hiertegen. Netelenbos besloot fusies tussen mavo's en vbo's aan te moedigen, maar niet te verplichten.

Niet alleen de vorm van het onderwijs moest veranderen, maar de staatssecretaris wilde ook de lesinhoud in het vmbo vernieuwen. ,,Het vbo moest een stuk zwaarder, terwijl het mavo juist meer aandacht aan praktische vakken moest besteden'', zegt oud-procesmanager Zunderdorp.

En zoals leerlingen in het havo en vwo in het Studiehuis zelfstandig gingen leren, moesten ook mavo- en vbo-scholieren ánders les krijgen. ,,Leerlingen gaan actiever en zelfstandiger leren'', staat in de folder Later begint vandaag! die het ministerie onder ouders verspreidde. ,,Het onderwijs is minder klassikaal, leerlingen voeren vaker zelfstandig of in een groep opdrachten uit net als in vervolgopleidingen en in het werkende leven.''

Maar Netelenbos wilde nog meer.

Het individuele voorbereidende beroepsonderwijs, waarin leerlingen met leerproblemen apart les kregen, moest worden afgeschaft. En ook scholieren in het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld voor jongeren met ernstige gedragsstoornissen of handicaps, zouden zoveel mogelijk naar het gewone onderwijs moeten gaan.

De overgrote meerderheid van deze circa 100.000 leerlingen, verwachtte Netelenbos, zou het op het vmbo ook wel redden. Scholen zouden daarom geld moeten krijgen voor extra pedagogen en gespecialiseerde leraren. En wie het vmbo toch te moeilijk vond, kon terecht in het praktijkonderwijs om meteen te worden voorbereid op de arbeidsmarkt.

Klein is te duur

Langzaam, zegt adviseur Schüssler, begon het plan de eerste haarscheurtjes te vertonen. ,,Het vmbo werd een ketting met steeds meer kraaltjes. Het oorspronkelijke doel, betere aansluiting op het mbo, verbleekte. Halverwege de jaren negentig werd het vmbo plotseling ook gebruikt voor de opvang van moeilijk lerende kinderen en een saneringsronde in het onderwijs.''

Ambtenaren waren gecharmeerd van het ideaal van Netelenbos om leerlingen met en zonder leer- en gedragsproblemen te integreren, zegt oud-procesmanager Zunderdorp. ,,Maar het was ook een kwestie van kostenbeheersing. Die kleine schooltjes werden te duur, omdat er steeds meer kinderen naartoe gingen.''

De Onderwijsraad, het hoogste onderwijsadviesorgaan van de regering, bekritiseerde in 1995 de ,,ondoordachte'' plannen van Netelenbos. Voor experimenten was geen tijd uitgetrokken. Zwakke leerlingen zouden het niveau van het vmbo niet aankunnen. Examens en lesmethoden waren nog lang niet af. En het `nieuwe leren' zou voor grote groepen leerlingen te zwaar en theoretisch worden, waarschuwde de raad.

Toch gingen de voorbereidingen gewoon door. Kamerlid Ursie Lambrechts: ,,We hadden in 1998 de invoering van het vmbo moeten uitstellen. Maar de ontwikkeling had al een sneeuwbaleffect. Niemand kon het meer tegenhouden.'' Oud-topambtenaar Frans Wisman, die de invoering namens het ministerie leidde, herinnert zich hoe het vmbo door eindeloze overlegrondes met Tweede Kamer, onderwijsorganisaties en vakgroepen steeds gedetailleerder werd. ,,De plannen waren in het eerste stadium nog vrij globaal. Maar we hebben het in de jaren tot de invoering helemaal dichtgemetseld. Als een leerling voor extra zorg in aanmerking wil komen, moet hij nu aan talloze gedetailleerde eisen voldoen.''

Huilen na bijscholing

Om het onderwijs voor te bereiden op het `nieuwe leren' én op grote stromen zorgleerlingen moesten leraren massaal op cursus. Ankie Verlaan, die in 1997 het ROC Amsterdam ging leiden, stuurde ook personeelsleden van de toekomstige vmbo-afdeling naar een bijscholing. ,,Ze kwamen huilend terug. Het niveau was zó bedroevend.''

Dat vonden de leraren van de Rotterdamse scholengemeenschap Lucia Petrus ook. Ze waren verbijsterd, herinnert directeur Bas Muilwijk zich. ,,Mavo-leerlingen mochten geen woordjes of grammatica meer overhoord krijgen. `Als je dat maar uit je hoofd laat', zei ik tegen ze.''

De tegenzin druipt bijna van de voorgevel van Lucia Petrus af, een kleine school in de wijk Blijdorp. R.K. onderwijs voor mavo en onderbouw havo-vwo, staat er. Er staat niet: vmbo-theoretische leerweg. En van een fusie met een vbo-school is ook hier geen sprake. ,,Het is en blijft mavo'', zegt Muilwijk. Mavo-leerlingen, zegt hij, zijn vaak laatbloeiers. ,,Die zijn beter af op een school waar zij zich kunnen optrekken aan leerlingen met havo- of vwo-niveau. Alleen regelingen die echt verplicht waren hebben we ingevoerd.''

En daar zitten nog ,,draken van regels'' bij, vindt hij. Gymnastiek en beeldende vorming zijn geen examenvakken, maar moeten wel met een voldoende worden afgesloten anders krijgen leerlingen geen diploma. Iedere leerling moet een `sectorwerkstuk' maken, dat niet officieel meetelt maar wel ten dele het eindcijfer voor Nederlands bepaalt. Is dat onvoldoende, dan mag de leerling geen examen doen.

Stomverbaasd waren de ambtenaren van het ministerie van Onderwijs vlak na de invoering van het vmbo. Veel scholen zeiden te willen veranderen, maar uiteindelijk werkten ze niet mee. Het aantal categorale mavo's daalde, van 62 in 1998 naar 23 in 2002. Maar in plaats van het vbo zochten ze juist havo- en vwo-scholen op om mee samen te gaan.

Oud-ambtenaar Wisman: ,,Iedereen vond het een goed idee dat we iets deden aan het slechte imago van het vbo. Maar toen puntje bij paaltje kwam, weigerden ze zelf iets te ondernemen. Mavo-scholen creëerden zo een sfeer van: wij willen niet bij het vbo horen.''

Die afwerende houding, zegt adviseur Schüssler, is funest geweest voor de vbo-scholen die alleen de onderste leerwegen aanbieden. ,,De segregatie neemt daar, zeker in de steden, hand over hand toe. De veiligheidsproblemen worden er groter, wat leidt tot een exodus naar de regio. En mavo-scholen worden onder ouders steeds populairder, die worden vaak een witte vluchtheuvel.''

Er was volgens oud-topambtenaar Wisman nóg een ontwikkeling die het ministerie niet zag aankomen. Het aantal leerlingen dat extra zorg nodig had om het op school te redden groeide veel sneller dan verwacht. Interne berekeningen, onder meer gebaseerd op de groei van het aantal allochtone leerlingen, gingen uit van een groei van hooguit 20 procent.

Het ministerie moest die raming al snel fink naar boven bijstellen. Tussen 1997 en 2002 steeg het aantal leerlingen in het `leerwegondersteunend onderwijs' van 54.000 naar 73.000. Oud-procesmanager Zunderdorp: ,,Wij hoorden van scholen dat zij grote problemen verwachtten door de toename in het onderwijs van allochtone leerlingen met laagopgeleide ouders. We hebben het departement hiervoor gewaarschuwd.''

Waarom zag het ministerie deze ontwikkeling dan toch over het hoofd? Verplaats je, zegt Wisman, in de psychologie van ambtenaren van de oude stempel van wie hij er één is. Leraren en onderwijzers, binnengekomen tijdens het ministerschap van de bevlogen sociaal-democraat Jos van Kemenade in de jaren zeventig, en gevormd door diens ideeën over gelijke kansen in het onderwijs. Inmiddels een uitstervend ras, maar medio jaren negentig oppermachtig op het departement.

Het zijn volgens Wisman meestal optimistische, goedbedoelende mensen. Met één nadeel: ,,Als wij met een plan bezig zijn, verliezen we de neveneffecten van beleid uit het oog. Het heeft met idealisme te maken.'' Naïef optimisme beheerste de politieke en ambtelijke top, zegt Rein Zunderdorp. ,,We wilden te veel veranderingen tegelijk. Scholen kregen een ideaalbeeld voorgespiegeld over de integratie van leerlingen van allerlei niveaus, maar kunnen niet alles oplossen wat van hen wordt gevraagd.''

Ruim twee jaar geleden publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau een vernietigend rapport over het vmbo. ,,De problemen in het vbo die ten grondslag lagen aan het advies van de commissie-Van Veen zijn sindsdien niet verminderd, maar [..] verder vergroot.'' Nog steeds valt ruim 20 procent voortijdig uit. De toenemende concentratie van probleemleerlingen in het vbo, die ,,het onderwijsklimaat ernstig kunnen verstoren'', is daar schuldig aan, schrijft het SCP.

Ook de Onderwijsinspectie is kritisch. In het laatste Onderwijsverslag staat dat de stijgende toename van kinderen met leer- en gedragsproblemen ,,gaat leiden tot problemen''. ,,Leraren zijn onvoldoende toegerust en hebben te weinig tijd voor hulp en begeleiding.''

De verzopen leerling

Dat kan ook niet anders, denkt hoofdinspecteur Liesbeth van Welie. ,,In korte tijd is er ontzettend veel veranderd. We zijn er nog lang niet, al krijgen scholen steeds meer visie op de aanpak van zorgleerlingen.'' Zorgen maakt Van Welie zich ook over het groeiende lerarentekort op scholen in de grote steden. ,,De werkdruk ligt daar erg hoog. Wij vinden dat het ministerie het werken op vmbo-scholen aantrekkelijker moet maken.''

Jan Engbers is directeur van zo'n school, het Vader Rijn College in Utrecht. Hij ziet nog steeds 40 procent van de meest allochtone leerlingen ,,verzuipen'' in het mbo. Het aantal zorgleerlingen is in korte tijd verdubbeld naar bijna de helft van het totaal aantal leerlingen. Hij heeft zelf een oplossing bedacht: de vier sectoren schaft de school zo snel mogelijk af. ,,We maken het onderwijs veel praktischer en flexibeler, zodat het beter aansluit bij de belevingswereld van kinderen.''

Hetzelfde gaan de vmbo-scholen in Groningen doen, zegt PvdA-wethouder Wicher Pattje. De smalle sectoren verdwijnen over vijf jaar, het onderwijs wordt meer op de praktijk gericht. ,,Bovendien breken we met de gedachte dat het goed is om vmbo'ers apart les te geven. De eerste schooljaren willen we ze weer met havo'ers en vwo'ers in een gebouw krijgen.''

Onverstandig om nu alles alweer terug te draaien, vindt voormalig staatssecretaris Netelenbos. Grote onderwijsvernieuwingen, zegt zij, hebben tien jaar nodig om op gang te komen.

Scholen zijn ongeduldiger. Zij zien het aantal zorgleerlingen ieder jaar groeien.

Netelenbos: ,,Ik vraag me wel eens af of écht 100.000 leerlingen extra zorg nodig hebben. Internationaal bezien is dat abnormaal veel. Vergelijk het maar met de WAO-instroom: hoe meer voorzieningen je kweekt, des te meer maken mensen er gebruik van. Nederland is het land van de apartheid. Dat wreekt zich in tal van beleidssectoren.''

Wat is er van uw ideaal, een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo terechtgekomen?

,,Ik wilde met het vmbo het oude model tegengaan waarin het mavo alleen maar een verdunde vorm van het havo is. Het theezakjesmodel noem ik dat. Het vmbo moest gericht opleiden voor het mbo en niet langer een slap aftreksel zijn van vwo en havo. Maar het mavo is niet verdwenen, wat wel logisch was geweest. De Tweede Kamer is belobbyd door belangengroepen om het mavo niet volledig in het vmbo op te laten gaan. Het heeft met status te maken, in Nederland staat het leren van een vak bij ouders nu eenmaal minder hoog in aanzien. In zo'n maatschappij leven we.''

Onderwijshervormers van het eerste uur hebben hun geloof in het vmbo verloren.

,,Het theezakjesmodel is niet verdreven, dat is waar. De integratie tussen theorie- en praktijkvakken komt nog niet overal goed van de grond. Maar ik denk dat we verder tevreden kunnen zijn, vergeleken met Europese landen is het onderwijs er goed.''

De invoering is achteraf wel erg snel gegaan, zeggen beleidsmakers van het eerste uur. Ook de Onderwijsraad vond de invoering te gehaast.

,,Een stelsel dat niet innoveert is ten dode opgeschreven. Al werkt het vmbo nog niet optimaal, dat betekent niet dat we meteen alles weer anders moeten doen. De politiek lijdt te veel aan hyperventilatie. Alles moet bij een beetje tegenwind helemaal anders. Het idee van het vmbo is volgens mijn overtuiging nog steeds goed voor de emancipatie van kinderen, omdat het meer rekening houdt met individuele situaties. Het vmbo heeft alleen tijd nodig. En rust.''

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam