De haat van de vredessoldaat

Is het toeval dat moordenaars Pascal F. en Paul S. beiden peacekeepers zijn geweest? Over de psyche van de teruggekeerde blauwhelm is nog maar weinig bekend. `Als bij slechts één promille van hen de stoppen doorslaan, raakt het justitiële apparaat overbelast.'

Vijf kogelinslagen telde het lichaam van Nadia van de Ven toen het op 1 oktober 2002 door twee politieagenten in een Utrechts pand werd aantroffen. Nadia's 29-jarige huisbaas, Pascal F., maandenlang zoek, werd eind januari 2003 door een arrestatieteam aangehouden.

Tijdens de rechtszitting, begin 2004, beschreef de officier van justitie wat zich die ochtend moet hebben afgespeeld.

Om ongeveer tien voor negen, als Nadia (25) net de was uit de droger gehaald heeft, loopt ze, handsfree met een vriendin telefonerend, de trap af. De vriendin hoort haar `goedemorgen' zeggen tegen Pascal, die beneden bezig lijkt een band te plakken. Als Nadia ziet dat Pascal een Uzi pistoolmitrailleur op haar richt, gilt ze. De verbinding wordt verbroken. Ze duwt haar hand tegen de loop om het schot af te weren, maar de kogel gaat door haar hand en haar schouder. Ze valt met haar hoofd tegen de afgedankte wasmachine die in de gang staat, waardoor haar kaak verbrijzelt en een paar tanden op de grond vallen. Pascal loopt om haar heen en schiet haar van achter door het hoofd. Dan sleept hij het lichaam zijn appartement in en schiet nog drie keer: een schampschot, een – zoals dat heet – `opgezet' schot tegen de linkerslaap en eenzelfde soort schot tegen de rechterslaap.

Dat Pascal de dader was leed voor de rechtbank geen twijfel. Met het motief hadden de rechters echter grote moeite. Zelf weigerde hij daarover iets te zeggen. Voor een `afrekening in het criminele circuit' was geen aanwijzing, voor wraak na een afwijzing evenmin. Ook bleek het niet mogelijk zijn daad weg te medicaliseren. Wekenlang verbleef Pascal ter observatie in het Pieter Baan Centrum maar hij volbracht het onmogelijke en wist zich met succes aan psychiatrisch onderzoek te onttrekken. Van een uit de hand gelopen ruzie was ook geen sprake: Pascal had Nadia opgewacht met een doelbewust tevoorschijn gehaalde Uzi. En hij had zich, om haar uit zijn bestaan te kunnen verwijderen, 's ochtends keurig bij zijn werkgever ziek gemeld.

De rechtbank achtte Pascal bovendien schuldig aan een tweede `motiefloze' moord. De Uzi waarmee Nadia doodgeschoten werd bleek begin 1995 gestolen uit de kazerne in Ede waar Pascal in 1994 gelegerd was geweest. Met dit wapen was eind 1995 de 31-jarige verzekeringsagent Anton Bussing gedood. Hij werd driemaal van dichtbij door het hoofd geschoten toen hij in afwachting van een volgende afspraak in zijn auto een krant zat te lezen. Pascal bestreed en ontkende alle bewijzen en verklaringen, maar nam ter zitting ook niet de moeite een alibi te noemen voor het tijdstip dat Bussing werd vermoord. Wel kwam vast te staan dat Pascal in de periode waarin Bussing werd vermoord, geprobeerd had met een handdoek zijn moeder te wurgen – waaruit de officier concludeerde dat Pascal destijds `in een mindere periode zat' en wellicht op Bussing `zijn spanning ontladen had'.

Van een soortgelijke kloof tussen daad en motief was sprake bij Paul S., de 37-jarige ex-marinier die eind vorig jaar in Kerkrade vier mensen vermoordde. De zaak dient pas in april, maar de toedracht wordt ook door de advocaat van de verdachte niet betwist. Toen Paul op een ochtend in oktober 2003 constateerde dat de sloten van zijn huis vervangen waren, sloeg hij een ruitje in, ging naar binnen, trok zijn gevechtstenue aan, deed een of meer wapens in zijn sporttas en reed naar het huis van zijn ex-schoonfamilie. Daar schoot hij zijn voormalige vriendin, zijn ex-schoonmoeder en de broer van zijn ex-vriendin dood. Toen vertrok hij naar het fitness-centrum waarvan hij samen met zijn schoonfamilie eigenaar was. Twintig body-buildende aanwezigen keken toe hoe Paul zijn jongere broer – toevallig ook aanwezig – van zich afmepte en met het doodschieten van zijn 60-jarige ex-schoonvader zijn missie voltooide.

Pascal F. diende in 1994 in Bosnië, Paul S. in 1992 in Cambodja. In de media werd daaraan opmerkelijk weinig aandacht besteed. Kranten als NRC Handelsblad, De Volkskrant en Trouw noemden het in het begin van hun berichtgeving, zonder er in latere stukken op terug te komen. Het ministerie van Defensie liet niets van zich horen, Kamervragen werden niet gesteld en in de rechtszaak tegen Pascal speelde zijn VN-verleden geen enkele rol. Een verband tussen beide zaken werd al helemaal niet gelegd. Twee `ontsporingen', twee meervoudige moorden. Kan gebeuren. Is het werkelijk toeval dat twee van de meest geruchtmakende geweldsdelicten van de afgelopen tijd gepleegd zijn door ex-peacekeepers?

Op grond van de gesprekken die ik als research voor mijn roman Inkomend vuur met ex-Dutchbatters voerde, zeg ik: nee dat is geen toeval. Ik zocht in 2001 een aantal Bosnië-gangers op omdat ik wilde weten hoe het leven er in de enclave Srebrenica voor gewone Dutchbatters had uitgezien. Van tevoren dacht ik dacht dat het allemaal wel gevoelig zou liggen. Keer op keer echter bleek de schoen niet te wringen bij wat ze zich van toen herinnerden, maar bij hun pogingen weer een soort plaats in de samenleving te vinden.

Ik ben me rot geschrokken van hun zinderende eenzelvigheid, hun woede, hun haat. Zeker, de veteranen die ik sprak waren de vriendelijkheid zelve – vooral als ik duidelijk gemaakt had dat ik niet een krant of een overheidsorgaan, doch slechts mezelf vertegenwoordigde – maar dat maakte hun woede hoogstens nog verontrustender. Die woede was gericht op de Nederlandse samenleving, de politiek, de media, de landmacht, het ministerie van Defensie, en niet zelden ook op de sociale omgeving waarnaar zij in den vreemde zo hadden terugverlangd. Zij beleefden zichzelf als `scherper', competenter of in ieder geval `anders' dan de softies die Nederland zo prettig onderling verkaveld hadden en stonden, laat ik zeggen `ambivalent' tegenover pogingen hen naar polderniveau te laten `terugbegeleiden'. Kenmerkend is wellicht dat Pascal F. zich tijdens zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum als krijgsgevangene gedroeg. De technieken waarmee commando's en piloten zich moeten zien te redden als ze in handen van regimes als dat van Miloševic of Saddam Hussein vallen, paste hij toe toen hij in handen viel van de Nederlandse psychiatrie.

De veteranen die ik sprak waren ook gefascineerd door geweld. Een van hen vertelde dat hij regelmatig met de gedachte speelde eerst zijn vrouw en zijn vijfjarige dochter, en daarna zichzelf te doden. Niet dat hij het serieus van plan was, maar de gedachte `hoe het zou zijn om' liet hem niet los. Het kwam op mij over als een soort vrijzwevende agressie. Sommige veteranen zeiden weleens gezocht te hebben naar objecten voor die agressie: dan lokten ze ruzies uit, sloegen ze na een avondje stappen een Marokkaan of Turk in elkaar of zaagden zichzelf zogenaamd per ongeluk in een vinger. Frappant was, vond ik, dat de woede altijd een andere kant uitging dan de geweldsimpuls: men kon boos zijn op Kok of Voorhoeve, maar zichzelf van kant willen maken.

Meestal dacht ik maar niet te lang na over het explosieve mengsel dat zou kunnen ontstaan als motief en geweldsimpuls zouden samenkomen. Maar misschien gebeurde juist dat, toen bij Pascal en Paul `de stoppen doorsloegen'. Dat deze voormalige peacekeepers zo bloedig door het lint gingen betekent uiteraard niet dat alle jonge veteranen tikkende tijdbommen zijn. Met de meeste van hen gaat het goed. Velen kijken op hun uitzending terug als `een ervaring die ze niet hadden willen missen'. Dat neemt niet weg dat het te makkelijk is om de moord op Nadia van de Ven af te doen als `de daad van een individu' – onbeschermd zonnen leidt ook maar zelden tot huidkanker. En het gaat inmiddels om grote aantallen. Sinds de Libanon-missies van eind jaren '70 zijn 75.000 Nederlandse militairen uitgezonden. Naar schatting 40.000 hebben de overstap naar de burgermaatschappij weer gemaakt. Als bij slechts één promille van hen de stoppen doorslaan, raakt het justitiële apparaat overbelast.

Verontrustender nog is iets wat ik niet wilde geloven toen ik het voor het eerst hoorde: van slechts acht- van deze veertigduizend is het adres bekend (omdat zij een veteranenpas hebben aangevraagd). Van de overige 32.000 weet niemand de woon- of verblijfplaats, laat staan de gezondheidstoestand. Ongetwijfeld zijn velen te goed geïntegreerd om prijs te stellen op de status van veteraan. Er zijn er echter ook (weet ik uit eigen waarneming) die niet over het minimum aan aangepastheid beschikken dat nodig is om hulp te zoeken, te vinden en te benutten. Voor veteranen geldt wat in veel macho-kringen geldt: de mensen die je de beste zorg zou toewensen, zijn het meest zorgschuw.

De afgelopen jaren is (door bijvoorbeeld het Veteraneninstituut in Doorn) weliswaar een begin gemaakt met het in kaart brengen van de psychologische en relationele gevolgen van uitzending, maar er is op dit moment alleen betrouwbare kennis over de eerste weken en maanden na terugkeer. Over de periode die werkelijk interessant is, de jaren na uitdiensttreding, bestaan geen betrouwbare statistische gegevens.

Dat uitzending tot grote, soms pas later manifest wordende, psychologische problemen kan leiden, staat na decennia peacekeepen wel vast. Zelfmoord komt onder uitgezondenen aanmerkelijk vaker voor dan onder leeftijdgenoten en op de Afdeling Individuele Hulpverlening van het Veteraneninstituut zien ze ze regelmatig: de ex-peacekeepers die te kampen hebben met verslavingen, riskant en zelfbeschadigend gedrag, zwerfneigingen en/of agressieve impulsiviteit. Dat aandacht hiervoor zo lang op zich heeft laten wachten komt voor een belangrijk deel doordat het onderzoeksterrein sinds de jaren '80 gedomineerd wordt door het posttraumatische stress-syndroom (PTSS) – een term die lijkt op een diagnose, maar in werkelijkheid verwijst naar een therapeutisch-wetenschappelijk complex dat ons à raison van (wereldwijd) tientallen miljoenen euro's per jaar doet vergeten onze ogen en oren te gebruiken.

Het PTSS-begrip suggereert dat je meer kans loopt in de problemen te raken naarmate je een grotere dosis `traumatische stress' toegediend hebt gekregen – en dat die dosis stijgt naarmate je meer risico gelopen hebt op dood en verwonding. Vergeleken met gevechtssoldaten lopen peacekeepers weinig risico, dus wat nou stress? Pas de laatste jaren komen ook wetenschappers er achter dat het zo simpel niet ligt. Uit een recent artikel in Military Psychology, waarin drie groepen veteranen uit de Yom Kippoer oorlog (1973) met elkaar worden vergeleken, blijkt bijvoorbeeld dat veteranen die in de hevigste gevechten verwikkeld zijn geweest decennia later gemiddeld genomen psychisch gezonder zijn dan veteranen die meer aan de kant hebben gestaan.

En psychologisch gezien is `aan de kant staan' precies wat een peacekeeper doet. Zoals luitenant-kolonel Vermeulen, destijds commandant van Dutchbat I, het uitdrukte: `Je moet daar slikken en slikken. Dat doet echt zeer.' Sterker nog, het zuigt je leeg: zelf onderhevig zijn aan allerlei beperkingen – al dan niet vastgelegd in rules of engagement of schietinstructie – en ondertussen moeten toezien dat uitgerekend de mensen voor wie je huis en haard verlaten hebt hun gang maar gaan. Voeg daarbij dat peacekeepers genoegen beleven aan het feit dat ze met wapens kunnen omgaan, vaak zelfs tot elite-eenheden behoren. Het is, geloof ik, juist het langdurig tegelijkertijd bewapend en machteloos zijn dat nog jaren later voor problemen kan zorgen. Om daarmee om te kunnen gaan is een persoonlijkheid nodig waarover misschien wel juist mensen die het leger ingaan om te kunnen vechten niet beschikken.

Pascal F. kreeg levenslang. De maatschappij moest, aldus de rechtbank, `maximaal tegen verdachte worden beveiligd'. Maar om de maatschappij maximaal tegen spookrijders als Pascal F. en Paul S. te beveiligen, zou Nederland om te beginnen moeten ophouden zo lichtvaardig militairen uit te zenden als thans het geval is. Zolang niet veel meer bekend is over de psychologische belasting die uitzending op middellange en lange termijn met zich meebrengt, zou dat alleen in uiterste noodzaak moeten gebeuren.

Tijdens een dergelijk moratorium zou, ten tweede, in kaart gebracht moeten worden wat op langere termijn de risico's zijn. In de derde plaats zou er een `follow-up strategie' moeten zijn die aanzienlijk minder vrijblijvend is dan het huidige nazorgsysteem – waarin het, na een verplichte debriefing, en een al iets minder verplichte reïntegratie-bijeenkomst acht weken na terugkeer, aan de teruggekeerden zelf wordt overgelaten of, hoe en waar zij aan de bel trekken.

In de vierde plaats zou er fatsoenlijk getest moeten worden. Of kandidaten qua persoonlijkheid geschikt zijn als peacekeeper is met het huidige instrumentarium niet goed vast te stellen. De gebruikte persoonlijkheidstest bijvoorbeeld is vervuild voor intelligentie: je moet, als je graag het leger in wilt, wel heel dom zijn om aan te kruisen dat je het eens bent met de uitspraak `Ik vind het leven vaak zinloos'.

Of we het willen weten of niet: sinds de Vietnamoorlog wordt het aantal slachtoffers dat in bodybags uit het oorlogsgebied terugkeert verre overtroffen door het aantal `uitgestelde doden' dat door zelfmoord, riskant en zelfbeschadigend gedrag en Pascal F.-achtige amokmakerij soms nog jaren later aan het thuisfront valt.

Eelco Runia is historicus en psycholoog. Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl