Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Als je de verhalen moet geloven lijkt het recht van de expatgemeenschap in Boedapest er in te bestaan dat ze er zijn om beroofd te worden

Eergister ben ik bij het uitlaten van de honden een wild zwijn tegengekomen – we wonen in een stille uithoek van Boedapest. Overdwars stond hij, in de straat, op vijftien meter afstand. Hij had de kleur van het asfalt. De lijn van zijn rug deed hem op een stier lijken. Zo'n Spaans sherryreclamebord. Het was een joekel van een beest. Hondsbrutaal, zoals Hongaarse overheidsdienaren dat kunnen, met een sublieme mengeling van minachting en desinteresse, keek hij me aan. De honden renden op hem af maar toen hij ze aanviel – het zwijn was een stuk groter dan de honden – maakten zij zich uit de voeten. Gelukkig verdween het varken doodgemoedereerd hellingafwaarts de struiken in.

Verder gaat het leven hier zijn gangetje. Een dik pak sneeuw bedekt Svabhegy. De bewakers kijken op de monitor in hun stalen container naar harde porno en bladeren in Szexguru. De aannemer bezweert ons nog steeds dat de verbouwing van het huis eind april klaar zal zijn. Een klein wonder zal moeten geschieden want schilders, tegelzetters en keukenbouwers zijn in geen velden of wegen te bekennen en ook de Transsylvaanse timmerman die de plafonds op zolder zal aftimmeren is nog niet uit de Karpaten afgedaald.

Mijn echtgenote die doende is een bedrijf op te zetten heeft net haar accountant eruit gegooid omdat bleek dat deze niet rekenen kon. ,,The system is not correct, I'm correct'', bleef de accountant herhalen; ,,You will get no one better then me in whole Hungary''. Terwijl ze de meest basale fouten maakte had ze er geen probleem mee zichzelf te blijven aanprijzen. Iemand die bij herhaling van zichzelf zegt dat ze correct is, is sowieso vrij verdacht.

Opmerkelijk in Hongarije is dat juist mensen met een behoorlijke positie regelmatig volkomen ongelikt zijn. Bij de groep die het meest fanaat het kapitalisme omarmd, vaak ex-communisten – de renegaten zijn, universeel gegeven, het gevaarlijkst – ontbreekt niet zelden iedere vorm van beschaving. Schaamteloos is het woord. Terwijl ik nog altijd moeite heb met het instructies geven aan de werkster, behoudens glimlachend of fluisterend, banen de proleten volledig zelfcentered luid telefonerend hun weg door deze wereld.

Het leven hier heeft z'n eigen dynamiek. Elke afspraak duurt twee keer zo lang als nodig. In een zo groot mogelijk comité worden zaken besproken en bekeken. Uren sta je in een trappenhuis naar boven te staren en te bespreken hoe de gipsplaten op het houtwerk moeten aansluiten. Iedereen geeft zijn mening hoe dat nou precies met dat randje moet en uiteindelijk doen de gipsplaatjongens toch wat ze het best uitkomt, rechttoe, rechtaan.

Dit eindeloos overleggen, wat niet noodzakelijk in enige actie hoeft uit te monden, lijkt een rudiment van het communisme, toen men op kantoor zat en vooral de dag moest zien door te komen. Bij tijde heeft het iets Afrikaans. Het beste is om besprekingen, in het bijzonder bouwbesprekingen, vlak voor de lunch te plannen en niemand toe te staan een hap te eten alvorens alles is afgerond. Meestal weet de bouwopzichter in een moment van onoplettendheid dan toch stiekum de pizzakoerier te bellen die op de brommer met acht lauwe Margarita's door de sneeuw de berg komt opgeploeterd – weg momentum.

Ik laat de honden uit tussen elf en één uur 's nachts. Ons huurhuis ligt afgelegen in een doodlopende straat. Alle Hongaren hebben enorme hekken om hun huis en ook van de artistieke neven van Ilona hoor ik dat ze hun huis geen vijf minuten alleen laten zonder het alarm aan te zetten. Mijn water zegt me dat die hoge hekken en camera's van de Hongaren met de zigeuners te maken hebben. Maar ook bij de buitenlanders zit de angst er goed in. Als je de verhalen moet geloven lijkt het recht van de expatgemeenschap in Boedapest er in te bestaan dat ze er zijn om beroofd te worden.

Al vanaf tien uur waren de honden als gekken aan het janken en blaffen. Ik liep met ze de helling op. Ik zag dat de sneeuw onder de bomen was omwoeld en bleef staan. Ik staarde het besneeuwde bosje in. In het weeshuis, achter me, huilde een klein kind. Het sneed door het hart. Ik draaide me om. Alleen in het trappenhuis brandde onbarmhartig wit licht, verder was het weeshuis in het donker gehuld. De kast van een huis straalde een intense eenzaamheid uit. Ik draaide me terug en staarde in de sneeuw. Het huilen hield niet op.

In gedachte klom ik over het hek van het weeshuis, naar een raam, waar ik à la Popeye twee stalen tralies uit elkaar trok, ik klom naar binnen, boog me over een bed, tilde het kind eruit, met deken en al, in mijn omarming was ie uiteraard onmiddellijk gerustgesteld en stopte met huilen, en ik liep met het kind in mijn armen naar buiten.

Toen werd ik uit mijn droom geholpen en ontwaarde ik in het licht van de volle maan het varken.