Winterslaap

Er zijn nogal wat dieren die 's winters langdurig onder zeil gaan. Dat is gewoon een zaak van overleven, van zuinig omgaan met energie.

Op sommige plaatsen in de wereld kan het heel koud worden. Dan groeit er bijna niets meer. Bovendien wordt de grond in die streken met een dik pak sneeuw bedekt. Meren en rivieren vriezen dicht. Het is dan onmogelijk om voedsel te vinden en echt noodzakelijk om op een speciale manier te overleven. Veel dieren zien de winter aankomen omdat de dagen korter worden. Ze vluchten dan naar warmere oorden, naar plaatsen waar geen sneeuw ligt.

Andere dieren blijven en kruipen in holen onder de grond om te slapen. Dan teren ze op hun reserves die ze in de zomer en de herfst hebben opgebouwd. Winterslaap is hun manier van overwinteren. Hun vetlaag is hun voorraadkast. Ze hoeven niet op pad om te eten en te drinken. In hun hol ademen ze heel zuinig, krijgen een trage hartslag en hun lichaamstemperatuur daalt tot net boven nul graden. Daarmee redden ze het net. Dat zijn de echte winterslapers. Ze liggen helemaal opgerold in de kleinst mogelijke ruimte en leven zeg maar, op een laag pitje. Ze lijken wel dood en aan het eind van de winter zijn ze behoorlijk afgevallen. Hun vetlaag hebben ze vrijwel opgebruikt. En plassen en poepen doen ze ook al niet.

Winterslaap is dus iets heel aparts. Dieren hebben dan bijna geen hersenactiviteit meer en er wordt ook niet gedroomd. Nogal logisch, want dromen kost veel energie. Maar verder weten we nog weinig over wat er nou precies in de hersenen gebeurt. Geleerden geloven dat de lengte van het daglicht de schakelaar is voor het in winterslaap gaan. In de hersenen bevindt zich een soort lichtmeter. Die lijkt nog het meest op een belichtingsmeter die een fotograaf gebruikt om heldere foto's te maken. Als de hoeveelheid licht beneden een bepaalde grens daalt, dan weten de dieren dat het tijd is om ondergronds te gaan om goed de winter door te komen. Nu het lente wordt, ontwaken ze weer.