Tien uur rijden naar de klusjesman

Ter gelegenheid van de Boekenweek bundelden negen Nederlandse schrijvers hun Franse ervaringen. Ondanks de willekeurigheid daarvan delen ze de liefde voor de Parijse winkelpassages, het opknappen van krotten en het koken volgens het aloude streekrecept.

Waarom moet een boekenweek elk jaar een thema hebben? Het thema van de Boekenweek is toch zeker sinds het jaar nul hetzelfde, namelijk: Boeken & Lezen. Of: Boeken & Kopen. Straks gaan de kerken nog aan de Paasdagen een thema meegeven: Paas & Haas, of Pasen & De Dood, of: Pasen in Frankrijk. En komt Sinterklaas elk jaar met een ander thema in zijn zak aanvaren: de integratie van Sinterklaas, Sinterklaas & God, Sinterklaas in Frankrijk.

Het enige verschil tussen de ene Boekenweek en de andere moet zijn: de auteur van het geschenkboek en het boek dat hij heeft geschreven. De organisatie kiest daar elk jaar een schrijver voor uit die in de mode is maar die toch goed schrijft. Zijn of haar boek krijg je cadeau als je het boek van een ander aanschaft. Nu komen we bij de kern van de zaak en bij het antwoord op de vraag die ik stelde: `Waarom moet een boekenweek elk jaar een ander thema hebben?'.

De enige reden die ik zie is dat het thema een inspiratie moet zijn voor de tweede divisie van schnabbelaars, columnisten, gelegenheidsschrijvers, bekende televisiegezichten, en slachtoffers van het Schrijfblok. Niet alleen krijgen ze een onderwerp aangereikt, maar de vage belofte wordt gedaan dat de lezers alles willen lezen wat er verschijnt over het Thema, of dat nu de Dood, God, Verveling, of Frankrijk is. Zo gauw het thema bekend is bellen alle uitgevers hun schrijvers en proberen ze nog een paar niet-schrijvers ook zover te krijgen dat ze een boekje maken.

Vorig jaar was op de jaarlijkse boekenmarkt in Parijs de Nederlandse literatuur eregast. Daarover stonden in Nederland de kranten wekenlang vol. De Franse literaire journalisten werden naar Nederland uitgenodigd en vulden voor één keer hun literaire supplementen met Neerlandica. Daarna werd het stil. Er waren veel vertalingen gemaakt, maar in kleine oplages. Ik ken in Parijs nog maar één winkel waar een plankje Nederlandse literatuur is. Verder moet je ons weer zoeken bij Germaanse of Noordse boeken. Dat dit jaar Frankrijk het thema van de Nederlandse boekenweek is heb ik in geen Franse krant mogen lezen.

Twaalf procent van alle toeristen in Frankrijk komt uit Nederland, waarmee wij verhoudingsgewijs de grootste francofielen zijn. Veel Nederlanders hebben `een huisje in Frankrijk'. Geen Nederlander wil sterven zonder in Parijs te zijn geweest.

Negen boeken liggen voor mij, die één ding gemeen hebben: ze zouden zonder het gekozen boekenweekthema niet verschenen zijn. Dat is natuurlijk geen goed uitgangspunt. Te duidelijk hebben stukjesschrijvers zich afgevraagd: `Hoeveel Franse stukjes heb ik gepubliceerd en onder welke titel ga ik die nu fijn bundelen?'. Te duidelijk hebben uitgevers tegen hun auteurs gezegd: `Je bent toch zo vaak in je huisje in de Ardèche? Schrijf er een boek over, want dat is het thema van de Boekenweek.'

De negen boeken laten zich goed verdelen in drie categorieën. De eerste drie gaan over de huisjes van Wester, Prick en Sommer op het Franse platteland. Het tweede drietal, Van Dis, Luijters en Freriks schrijft over de Franse hoofdstad. Het derde trio, Bril, Brokken en Noorman, schrijft over Frankrijk in het algemeen en dus soms Parijs in het bijzonder. Bij elk drietal heb ik eerst de auteur genoemd die mij het meest beviel, daarna het boek dat desnoods ook buiten deze Boekenweek had mogen verschijnen, en tenslotte het boek dat ik in geen enkele week van het jaar aan zou raden.

Het huisje

In alle drie de boeken over `mijn huisje' lezen we hoeveel uur het rijden is, wat de streekrecepten zijn, hoe met klussenmannen moet worden omgesprongen, wat de buren voor rare dingen vertellen, hoe het weer is, wat voor soorten brood de bakker heeft, en andere wetenswaardigheden waarbij de auteur een geniale en voorlichtende rol speelt.

Er is veel geklaag over leveranciers en aannemers, en daarom is het zo aardig dat Rudi Wester nooit klaagt en niets dan lof heeft. Misschien hielp het dat zij Frans heeft gestudeerd en zelf al veel wist van, bijvoorbeeld, haar beroemde streekgenote George Sand. Bij een vergadering in de streek over het plan om Sands lijk op de tweehonderdste geboortedag in het Panthéon te plaatsen, maakt zij de waardevolste opmerking. De lezer is dan al zo gewend aan haar doorzetterige en voortvarende karakter dat hij noch verbaasd noch geïrriteerd reageert.

Het probleem bij alle negen boeken is dat de volgorde van vertellen volslagen willekeurig is. Wester probeert er een spanning, en daarmee een richting, in te leggen door de ontwikkeling bij een buur-echtpaar. Maar de clou van het boekje zat hem voor mij in de steeds duidelijker wordende identificatie van de schrijfster Wester met de schrijfster Sand. Zo hebben we in het begin een heel hoofdstuk gelezen over Westers opname in een ziekenhuis, met buikklachten. Honderd bladzijden later lezen we dat Sand buikklachten had. Hun optimistische en doordouwerige karakters stemmen overeen en de enige vraag voor mij bleef: Heeft Wester zich die identificatie gerealiseerd?

Leo Prick is de lezers van deze krant bekend als onderwijsspecialist in de Wetenschapsbijlage. De hoofdstukken over het Franse onderwijs zijn dan ook zeer leesbaar. Maar voor alle andere hoofdstukken moet de lezer veel geduld hebben om, bijvoorbeeld, een wandeling van een Parijs station naar het huis van kennissen zonder gapen te lezen. Prick heeft de praktische punten in een apart boekje opgenomen, waarin we bijvoorbeeld lezen dat in de jeugdtaal verlan `de woorden achterstevoren worden uitgesproken ... Het zijn niet de besten die zo spreken, is mij dan ook verzekerd'. Beide informaties zijn onjuist. Ga naar de film L'Esquive van Abdel Kechiche en luister naar die prachtige taal van Marivaux en Verlan.

Martin Sommer heeft een huisje vlak over de Belgische grens, een van de zeldzame boerengebieden in Frankrijk waar het lelijk is. In dat dorp heeft een Nederlandse pastoor Charles Eyck een kerkje laten versieren en Sommer probeert bij bewoners en Nederlanders uit te vinden hoe dat ging. Sommer is journalist bij de Volkskrant en denkt dat je iets het best te weten komt door mensen te interviewen, ook als het over lang geleden gaat. Ik weet niets van Charles Eyck maar ik weet toevallig wel dat Bertus Aafjes twee keer over zijn vriend heeft geschreven. Die twee publicaties staan niet in Sommers literatuurlijst waarin wel Mak, Le Roy Ladurie, Waugh en Tuchman staan. Ik wil niets onaardigs over de Volkskrant-journalistiek zeggen, maar citeer wat Nanda Troost een paar dagen geleden in die krant schreef: `Een boek van en over francofielen die een krot hebben gekocht en het opknappen daarvan moeten financieren door hun belevenissen aan het papier toe te vertrouwen.'

Parijs

Adriaan van Dis heeft de hete zomer van 2003 in Parijs doorgebracht maar is in leven gebleven. In twintigduizend woorden (het dunste van de hier besproken boeken) geeft hij een persoonlijk en geestig portret van de Franse hoofdstad. Net als in alle andere boeken komt even een eerder Frans verblijf van de schrijver ter sprake, waarin hij onder de schuilnaam Maarten onduidelijke diensten verleent aan de antiapartheidsbeweging. Ik zou daar wel meer van willen horen en wil niet wachten tot de boekenweek het thema Zuid-Afrika krijgt.

Hoe komt iemand die over Parijs schrijft aan zijn kennis? Uit de honderdduizend andere boeken die over deze stad zijn geschreven natuurlijk. Van Dis noemt zijn bronnen achterin zijn boek. Ik heb diezelfde boeken en stel vast dat hij nooit direct citeert, iets wat alle navolgende boeken wel uitvoerig doen. Even meende ik dat hij, net als Wester met Sand deed, zich vereenzelvigde met de bedelaar van zijn straat, maar dat is misschien toch niet zo.

Luijters schrijft terecht niet over het huidige Montmartre maar over dat van een eeuw geleden. Hij vertaalt een aantal stukken en gedichten uit die tijd. Ik beken dat ik in dit boek vooral zocht naar het woord olala, dat in geen boek over Frankrijk mag ontbreken. Het verscheen in de verrassende passage `Op mijn elfde keeg mijn vader een baan als portier van de Moulin-Rouge'. Dat is haast nog mooier dan mevrouw Wester die bij een boer werkte of Van Dis in de Zuid-Afrikaanse ondergrondse.

Freriks is de enige nieuwslezer ter wereld die geen zin normaal kan uitspreken. Wie het NOS-nieuws niet goed vindt zou er toch om zijnentwil eens naar moeten kijken. Je raakt zó betrokken bij al zijn vergissingen, pogingen om leuk te zijn, onbegrijpelijke kuchjes en grimassen, dat je van het hele nieuws niets oppakt – wat natuurlijk een hele geruststelling is. In Gare du Nord zou Freriks, die ooit conducteur op slaaptreinen blijkt te zijn geweest, dan misschien zijn orale gebreken kunnen doen vergeten, maar hij blijkt ook niet te kunnen schrijven. Er staan wel eens aardige zinnen in, maar dat zijn geciteerde zinnen. En dan heeft hij niet eens het excuus van een krot dat opgeknapt moet worden.

Frankrijk

Martin Bril is een columnist met een geheel eigen stijl die je direct herkent. Vanwege het boekenweekthema heeft hij zijn Franse stukjes gebundeld. Hij heeft een huisje op het platteland en hij is vaak in Parijs, maar hij hoort niet bij de twee hierboven behandelde genres. Waar hij ook is, wat er ook gebeurt, het is altijd Bril die je leest. Ik kan niet geloven dat Bril zijn echte naam is. `Taal is een bril', zei Guus Willemsen. Smaken in brillen verschillen. Ik vind de Bril die Martin heet goed staan. Net als bij Wester en Van Dis besef je dat je niet vanwege de Franse informatie maar vanwege de stijl hun proza leest. En zo hoort het ook.

Jan Brokken heeft de Franse stukken die hij, vooral in de Haagse Post, schreef, gebundeld en dan valt de totale willekeurigheid van de onderwerpen op. Vorige week vertelde de Giacometti-biograaf op de BBC nog eens het verhaal van de kunstenaar in het bordeel van de Rue Delambre. Brokken vertelt het nog eens en verwijst achterin keurig naar die biografie. Ook bij de andere stukken vraag je je af waarom je, als je nieuwsgierig bent naar Simenon, Camus, Céline niet beter de artikelen of boeken kan lezen die Brokken gebruikte. Het interview met Nathalie Saraute, toen ze in 1978 in Nederland was, vond ik fascinerend, maar dat heb ik bij elk woord uit haar mond.

Het boek van Jelle Noorman, tenslotte, gaat gebukt onder dezelfde toevalligheid als dat van Brokken. En het heeft ook nog wat me bij Luijters zo tegenstond: de totaal willekeurige keuze van zelfvertaalde fragmenten van Franse schrijvers. Eenderde van de alfabetisch op titel geordende stukken heet Diderot, Flaubert, Stendhal, et cetera, allemaal schrijvers die ik verafgood. Noorman neemt een klein fragmentje uit hun werk en vertaalt dat. De keuze van zo'n fragment is vaak tendentieus. Flaubert heeft duizenden prachtige bladzijden geschreven – waarom kiest Noorman dan een demagogische antidemocratische brief? Die brief is trouwens van zaterdag 7 oktober, en niet van `november' 1871. De eerste zin is verkeerd vertaald, `kritiek' moet `kritisch' zijn. Le nombre betekent: `het aantal', en niet `de meute'. Het zou veel verduidelijken als Noorman erbij had gezet dat George Sand, aan wie hij die brief schreef in reactie op een krantenartikel van haar, vóór 1870 uiterst linkse en prodemocratische opvattingen had, zoals Wester ons vertelt.

Ik zie de aantrekkelijkheid van een Franse literaire caleidoscoop, maar dan niet gemengd met twee keer zoveel observaties van de vertaler zelf. In het hoofdstuk over de Parijse galeries (kun je dat schrijven zonder Benjamin te citeren?) lezen we: `Andere passages houden de schijn op. Galerie Véro-Dodat heeft veel poeha, met haar zaakjes vol grands foulards en oude prenten, waarin nors kijkende, opgedirkte dames de verveling verdrijven met mobiele telefoon en modeblad...'. Toevallig ken ik een van die opgedirkte dames en vind ik haar norsheid aanbiddelijk, maar laat ik niet te persoonlijk worden en liever deze passage bij Van Dis citeren: `Als ik schuil in de intieme passage Véro-Dodat en me vergaap aan de neoklassieke bouw en etalages vol prachtige schilderijen en antieke meubelen (waar ik natuurlijk mijn niet-bestaande appartement mee wil inichten), dan overvalt Parijs me: wat een geluk dat ik hier loop...'.

Noorman schrijft over Verlan : `Verlan is een fonetisch anagram van l'envers, ,,het omgekeerde'. Door de volgorde van lettergrepen om te draaien, verkreeg men woorden die door ongewenste toehoorders niet direct werden herkend... Sommige daarvan raakten door de frequentie waarmee ze in gesprekken van jongeren en andere trendgevoelige lieden voorkwamen tenslotte volkomen ingeburgerd... Het gebruikelijke woord voor iemand van Noord-Afrikaanse afkomst is beur, afgeleid van Arabe, dat in een politiek correct tijdsgewricht als stigmatiserend wordt ervaren.'

Wat hier over Verlan wordt gezegd is niet alleen technisch onjuist, maar getuigt ook van neopolitiek-correcte wantaal. Het past in een boek waar op de eerste bladzij de uitspraak valt te lezen: `Voor hen die behept zijn met een televisiekijkende geest is reizen louter amusement'.

Ik weet niet hoe televisiekijkend mijn geest is want ik heb geen televisie, maar ik amuseerde mij met drie van de negen boeken uit het boekenweekthema.

Rudi Wester: Beau Berry. Leven in het hart van Frankrijk. Prometheus, 248 blz. €14,95 Leo Prick: Mijn Frankrijk. Van Gennep, 268 blz. €18,– Leo Prick: Frankrijk op zak. Van Gennep, 79 blz. €8,90 Martin Sommer: Dorp in Picardië. Meulenhoff, 221 blz. €17,50 Adriaan van Dis: Onder het zink. Un abécédaire de Paris. CPNB/Augustus, 64 blz. €2,50 Guus Luijters: Montmartre heeft echt bestaan. Uitgeverij 521, 232 blz. €16,50 Philip Freriks: Gare du Nord. Conserve, 201 blz. €15,– Martin Bril: De Franse slag. Uitgeverij 521, 125 blz. €12,50 Jan Brokken: Zoals Frankrijk was. Atlas,blz. €19,90 Jelle Noorman: Mijn Frankrijk. Atlas, 477 blz. €24,90