Ruimte, licht, intimiteit en grandeur krijg je op de koop toe

De meest fotogenieke stad van Europa is zonder twijfel Parijs. Of het nu de Duitse Germaine Krull was, de Zwitser René Burri, de Amerikaan Blumenfeld of de Nederlander Ed van der Elsken, op een dag hebben ze in die stad hun fotografisch geluk gezocht – en gevonden. Maar vooral de Fransen zelf hebben veel aan die reputatie bijgedragen. In de tijd dat Louis Ferdinand Céline als jongetje zijn tijd moest doden in de broeierige passage waar zijn moeder een afzichtelijke textielwinkeltje dreef, doorploegde Atget in de vroege ochtenduren met zijn camera van twintig kilo de twintig Parijse arrondissementen en liet met duizenden opnamen een topografische `erfenis' na die uniek is op de wereld. Lartigue legde te pas en te onpas zijn vrienden- en familieleven vast, een klasse die zich met tennisbanen en auto's de luxe kon permitteren waar men in de passage van Céline geen benul van had.

Doisneau, Brassaï en Cartier-Bresson maakten hun stad onweerstaanbaar met hun poëtisch realisme: de slagschaduw van een terrasstoel in de Tuilerieën, sneeuw op de Place des Vosges, romances langs de Seine-oever. En dan was er onder vele anderen nog Man Ray, die er met lenzen en papier jaloersmakend op los bleef experimenteren. Alles – zo vertelden die foto's – was in Parijs bekoorlijker, joyeuzer en spannender dan elders. Gaf de `straatfotografie' van New York de toeschouwer het gevoel van verlorenheid, van nietig leven versus een overweldigende architectuur, Parijs schotelde licht en ruimte, intimiteit en avontuur voor – en de grandeur kreeg je op de koop toe.

Frankrijk koestert dat foto-verleden met zijn Centre National de la Photographie, met zijn jaarlijkse fotobeurs Paris Photo, met fotoprijzen, met de omvangrijke serie beknopte fotoboeken Photo Poche, over uiteenlopende genres en -meesters. De République verwerft ook schenkingen en nalatenschappen,soms ter compensatie van successierechten, die wel in het Parijse Hôtel de Sully geëxposeerd worden. De net begonnen Boekenweek is mede aanleiding voor het Gemeentemuseum Helmond om een selectie van 220 foto's te presenteren uit dat veelal in de jaren negentig verworven staatsbezit dat al eerder is geboekstaafd is in Patrimoine Photographique (inclusief een cd met duizend foto's).

Het werk van de veertien bekende en onbekende fotografen, die de afgelopen decennia de Franse staat met vele honderdduizenden opnamen verrijkten, is in deze tot de nok toe geïllustreerde publicatie in vijftien thematische categorieën – stad, land, kunst, film, spektakel, industrie, transport – samengebracht. Van Amélie Galup, die rondom de Tarn bij Albi vanaf 1895 vrienden, familie, landschappen en plattelanders (in totaal 2.800 glasnegatieven) vastlegde, tot en met de Studio Harcourt, waar `Tout Paris' voor de lens schoof. Aan deze Studio dankt men nu een archief van maar liefst anderhalf miljoen negatieven. En op één daarvan staat Catherine Deneuve, geportretteerd in 1960, als een preutse Parisienne waar je zonder op- of omkijken aan voorbij zou zijn gelopen.

Het werk van nu wereldberoemde fotografen viel de staat net zo goed toe. Wat te denken van de honderdduizend negatieven die André Kertész in zijn geboorteland Hongarije en in Frankrijk `schoot', en de vijftigduizend opnamen uit alle sectoren van de Franse samenleving die René-Jacques op zijn naam zette. De Slowaak François Kollar richtte zich vooral op de werkende Fransman en op de mode (29.000 negatieven). En Thérèse le Prat, die bij haar scheiding door haar ex getroost werd met een camera, maakte vooral furore met talloze kunstenaarsportretten (18.000), een genre waar ook Denise Colomb (52.000) furore mee maakte.

Ondanks flink wat opnamen van over de grens had Patrimoine Photographique ook propagandistisch `Vive la France' kunnen heten. En dan vooral het Frankrijk van de eerste helft van de twintigste eeuw, met puffende locomotieven op het Gare du Nord, met straatvegers en -venters in de ochtendzon, met slachters in de Hallen en met ateliermeisjes die de hele dag alleen maar zakdoeken mochten strijken. De oorlog komt er nauwelijks in voor: Marcel Bovis (23.000 negatieven) keek in 1945 naar de ruines van historisch Marseille en Roger Parry (22.000 negatieven) naar de ravages in Parijs.

Onwillekeurig blijf je langer kijken naar de landschappen en riviergezichten, om er persoonlijke, zintuiglijke herinneringen bij te betrekken. De leegte en de verte rondom Versailles waarin Bruno Réquillart (72.000 negatieven) rondzwierf, biedt daartoe een prachtig projectiescherm. Om maar te zwijgen over de kleuropnamen van Daniel Boudinet (60.000 dia-positieven) die in het Frankrijk van de jaren negentig systematisch, vlijmscherp en bijna morbide lege monumenten en theaters, kale buitenwijken en `schuldige' plekken uitlichtte.

Patrimoine Photographique sluit af met portretten van kunstenaars, schrijvers en filmsterren, vooral gemaakt door Denise Colomb en Sam Lévin (ca. 500.000 negatieven en diapositieven): de schilder Nicolas de Staël, kort voor zijn zelfmoord, Marguerite Duras en Simone Signoret als onverschrokken meiden, en vergeten chansonniers als Marcel Mouloudji en Serge Reggiani, die met de meest doorrookte stem van het westelijk halfrond vermoedelijk elke vrouw zijn bed in kon `raspen'.

En toch kijk je het liefst naar dat zogenaamde poëtisch realisme van vooral André Kertész en Marcel Bovis. De vraag is of na verloop van geruime tijd niet elke foto in die categorie terechtkomt. Vermoedelijk wel, maar Parijs geeft de illusie dat je nog dagelijks in die zachtaardige werkelijkheid kan rondlopen, en daarom komt het ook steeds weer tot een `rendez-vous'.

Patrimoine Photographique Catalogue. Ministère de Culture, 605 blz. €17,95

De tentoonstelling: J'aime la France, 1855-1985 is tot 12/9 te zien in het Gemeentemuseum Helmond.