Ook erkende atoommachten moeten inbinden

Gaddafi doet wat Saddam weigerde. De Libische leider heeft dezer dagen een schip vol verboden wapentuig naar de VS gestuurd om het daar te laten vernietigen. Nog maar een half jaar geleden probeerde hij in Saddams voetspoor te treden. Een ander schip, eveneens volgeladen met verboden wapentuig, was toen op weg naar Libië – niet om de lading daar te laten vernietigen, maar om Gaddafi tot de eerste Afrikaanse leider te maken die zou beschikken over massavernietigingswapens, nucleaire daarbij inbegrepen. Dit schip werd onderschept. De Libische leider was op heterdaad betrapt. Hem restte niet anders dan zijn snode bedoelingen toe te geven en de handdoek in de ring te werpen.

Gaddafi's besluit betekent een succes voor het tegengaan van de spreiding van massavernietigingswapens. Maar ondanks dit succes is er geen reden tot optimisme. Iran blijft onder verdenking de atoomdrempel te willen overschrijden. Hoog Europees bezoek scheen de ayatollahs op andere gedachten te hebben gebracht, maar sindsdien blijft de beloofde volledige medewerking aan het ontmantelen van Irans nucleaire programma's uit. Het Internationale Atoombureau (IAEA) te Wenen, dat toeziet op de naleving van de gemaakte afspraken, heeft twijfels geuit over de betrouwbaarheid van de Iraanse regering. Overwogen wordt de kwestie voor te leggen aan de VN-Veiligheidsraad die vervolgens weinig anders kan doen dan het regime sancties opleggen zolang het niet voldoet aan de gestelde eisen. Iran heeft bij voorbaat geprikkeld gereageerd op die mogelijkheid.

Iran is niet het enige land dat problemen oplevert voor een strikte naleving van het non-proliferatieverdrag (NPV). Overleg met Noord-Korea over beëindiging van het atoomproject van dat land is weliswaar niet afgebroken, maar wel zonder noemenswaardig resultaat opgeschort. Noord-Korea had zich eerder uit het NPV teruggetrokken, maar dat betekent in de praktijk niet veel. De internationale druk op het regime om zijn nucleaire plannen op te geven is er niet minder door geworden. Ook al is, puur volkenrechtelijk gesproken, de verhouding van de internationale gemeenschap tot Noord-Korea veranderd – een lidstaat heeft het recht zijn lidmaatschap op te zeggen – wordt het land in de praktijk behandeld alsof het nog tot het NPV behoort. De VS en China zijn niet bereid in Noordoost-Azië een vierde kernmogendheid te laten ontstaan.

Pakistan is nooit lid geweest van het NPV. Dat plaatst het land samen met India in een aparte categorie. Beide staten hebben altijd geweigerd op dit gebied internationale verplichtingen aan te gaan, waardoor zij de vrijheid behielden de status van atoommogendheid te verwerven. Pakistan is vervolgens een stap verder gegaan. Door de jaren heen heeft het hand- en spandiensten verricht voor ten minste Iran, Libië en Noord-Korea bij het ontwikkelen van de atoommachten van die landen. In die zin heeft Pakistan meer bijgedragen aan de spreiding van kernwapens dan welk ander land ook. Hoewel de ontvangende landen als lidstaten van het NPV in eerste aanleg verantwoordelijkheid dragen voor de gepleegde verdragsbreuk, is Pakistan als de leverancier van kennis en apparatuur wel degelijk medeverantwoordelijk te noemen. Rechtvaardiging van een eigen atoommacht valt niet eenvoudig geldig te maken voor steun aan derden.

Waarom wordt Pakistan niet even hard aangepakt als Irak, Iran en Noord-Korea? Die vraag wordt vooral gesteld in India, achter de hand door de Indiase regering, meer robuust in de Indiase media. De regering van Musharraf heeft echter met succes de aandacht van zichzelf afgeleid naar Abul Qadeer Khan, ook wel de `vader van de Pakistaanse atoombom' genoemd. Khan zou de handel met de afnemers van atomair materiaal eigenhandig op poten hebben gezet, min of meer buiten opeenvolgende Pakistaanse regimes om, zo moet men geloven. In ruil voor zijn schuldbelijdenis voor draaiende camera's heeft Musharraf Khan gepardonneerd, een concessie die vervolgens ook in Washington werd aanvaard.

Pakistan zou zich kunnen rehabiliteren door zich, in navolging van Gaddafi, te ontdoen van zijn atoommacht. Vervolgens zou het kunnen toetreden tot het NPV. Waarschijnlijk zou de Pakistaanse regering, áls zoiets al zou worden voorgesteld, tegenwerpen dat Pakistan dat slechts kan doen als India daar ook toe bereid is. En India zou verklaren dat zoiets alleen kan wanneer China afscheid neemt van zijn atoommacht. Waarna Peking zou meedelen dat het dat niet kan doen zolang de zogenoemde andere bij verdrag erkende kernmogendheden, niet in de laatste plaats de VS en Rusland, hun atoomarsenalen behouden.

Toch zou een dergelijke eis, inclusief de hier genoemde consequenties, passen binnen de lijnen van het NPV. Daarin hebben immers de ondertekenende erkende kernmogendheden ontmanteling van hun nucleair wapentuig toegezegd.

De beheerste behandeling van Pakistan door de internationale gemeenschap vloeit dan ook niet uitsluitend voort uit de rol van het land bij de bestrijding van Al Qaeda, hoewel Amerika's voorzichtigheid daarmee zeker te maken heeft. Evenzeer speelt mee dat Pakistans atoommacht uitkomst is van de dubbelzinnigheid van het NPV zelf. De tweedeling waarin dat verdrag voorziet – staten met en staten zonder kernwapens – is van het begin af aan een aansporing geweest voor landen om zich er niet bij aan te sluiten (dan wel heimelijk het verdrag te schenden). India is daarin voorgegaan. Gezien de potentie, de aspiraties maar ook de angsten van India kon het land zich niet geheel vrijwillig uitsluiten van de club van grote mogendheden – op het lidmaatschap waarvan het aanspraak maakt. India's afzijdigheid leidde vervolgens automatisch tot Pakistans afzijdigheid.

Waarschijnlijk is de proliferatie van kernwapens – en van andere massavernietigingswapens – niet meer te stoppen met het lap- en verstelwerk dat nu wordt verricht en in het vooruitzicht is gesteld. Gaddafi's inkeer en Musharrafs indirecte boetedoening mogen niet tot de verkeerde conclusie leiden dat het wezenlijke vraagstuk daarmee uit de wereld is. Zelfs wanneer Iran en Noord-Korea oprecht van hun aspiraties zouden afzien, zou dat nog steeds niet het geval zijn. De openlijke doorbreking van de limieten van het NPV door India en Pakistan en de heimelijke doorbreking door andere staten, hebben aangetoond dat proliferatie niet valt uit te sluiten zolang de erkende atoommogendheden geen afstand doen van hun eigen nucleaire arsenalen. Een werkelijk sluitend en controleerbaar stelsel zou pas daarna een kans hebben.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.

geen reden tot optimisme