Je moet erboven zweven

In `Poker' speelt Lou Landré een voor hem typerende rol: die van een beheerst ogende man die ieder moment kan ontploffen. ,,Ik ben wat terughoudend, ja.''

Lou Landré draagt een strakzittend, muisgrijs pak met vest, een rode das en bijpassend pochet. Wat zich in zijn hoofd lijkt af te spelen, knelt eveneens. Hij is een aan poker verslaafde man, die zijn verslaving ten stelligste ontkent – hij gaat juist prat op de discipline die hij zichzelf toeschrijft. Aanvankelijk staat hij ook nog zeker genoeg in zijn schoenen om af en toe op korzelige toon een grapje te maken. Maar naarmate zijn overwicht hem dreigt te ontglippen, wordt zijn hoofd steeds roder, en zijn ademhaling gejaagder. Tot hij ten slotte letterlijk het licht van de voorstelling uitdoet door het deksel van een laptop dicht te klappen. Dan is hij nog kleiner geworden dan hij al was, een man die tot in het diepst van zijn wezen is gekwetst.

De restauranthouder in de tragikomedie Poker van Patrick Marber is een rol die aan eerdere rollen van Lou Landré doet denken. Beheerst, maar op het punt van knappen. Hij heeft er ditmaal zijn snor voor laten staan, een snor als die van een sergeant-majoor wiens commando's bedoeld zijn om 's mans korte, gedrongen gestalte te compenseren. En alleen al door die snor is deze man toch weer anders dan, bijvoorbeeld, de hypercorrecte, afgemeten speculant in het recente Het vuil, de stad en de dood van Fassbinder of, alweer vijftien jaar geleden, de titelrol in Arturo Ui van Brecht – toen hij als een praalhaantje stond te oreren op een hoge biljarttafel en daarna langs de keu naar beneden gleed.

Poker wordt zijn voorlaatste voorstelling bij het Nationale Toneel. Volgend seizoen neemt hij afscheid in No man's land van Pinter. ,,Tja, dan ben ik 65 en moet ik eruit'', zegt hij met een verontschuldigende glimlach, na een generale repetitie in de Guido de Moorzaal van het Haagse gezelschap.

Maar dat wordt toch geen afscheid van het toneel?

,,Ja, dat wordt het wel. 't Is toch wel goed zo? 't Is mooi geweest.''

En, op mijn verbaasde blik: ,,In elk geval neem ik afscheid van het systeem. Wij zijn hier in Nederland opgegroeid met het systeem dat je ergens je première hebt, daarna het land in gaat, en eventueel later weer terugkeert naar waar je begonnen bent. Voor ons is het heel gewoon elke avond in een andere zaal te spelen, met een andere akoestiek, een andere lichtval en een decor waarvan soms een deel moet worden weggelaten omdat het anders niet past. Geen enkel ander land heeft zo'n systeem; daar blijft de voorstelling op één plek staan. Zodat je als acteur verder kunt bouwen. Als je nogal perfectionistisch bent ingesteld, zoals ik, wil je blijven zoeken. De laatste voorstelling van Poker is op 15 mei. En wat mij betreft gaat dat zoeken dus door tot en met 15 mei. Een regisseur wordt er zenuwachtig van als ik dat zeg. Antoine niet, die kent mij.

,,Sommige acteurs houden van reizen en trekken, al begint dat door de files op de wegen wel steeds minder te worden. Ook ik vind die files natuurlijk vervelend, maar de kern zijn ze voor mij niet. Waar het mij om gaat, is de voortdurende aanpassing. Ik heb een aantal ervaringen opgedaan met het spelen op een vaste plek. Dan merk je dat je iedere avond dóór kunt werken aan je rol. Dat vind ik veruit te prefereren boven het reizen. Als het Nationale Toneel ooit een eigen gebouw krijgt met een vaste zaal, en als er dan voor mij iets te doen is, zal ik daar graag op ingaan. Maar van het huidige systeem heb ik na veertig jaar genoeg.''

En films?

Hij produceert een sardonisch lachje en antwoordt: ,,Ach, hoe kan ik dat nu eens positief zeggen? Wat ik van films heb geleerd, is wachten. En ik wil best nog eens een keertje een beetje wachten.''

Poker heette oorspronkelijk Dealer's choice en dateert uit 1995. Het was het eerste toneelstuk van de Engelse auteur Patrick Marber, wiens tweede, Closer, in Nederland werd gespeeld door Toneelgroep Amsterdam. Marber begon zijn carrière als stand-up comedian en werd daarna co-auteur van diverse radio- en tv-programma's waarin Steve Coogan de komische mislukkeling Alan Partridge speelt.

In zijn eerste toneelstuk greep hij terug op zijn eigen gokverslaving. Hij schiep zes mannen in een restaurant – de eigenaar, diens zoon, twee obers, de kok en een geheimzinnige gast – die elk een eigen reden hebben om te pokeren. Het laatste bedrijf speelt zich af tijdens de wekelijkse pokersessie op zondagavond, aan een tafel met groen kleed onder onheilspellend hel lamplicht. Daar speelt de strijd met kaarten en fiches net zo'n grote rol als de woorden. ,,Kijk'', grijnst regisseur Antoine Uitdehaag, vlak voor de generale, en hij wijst op een tafeltje in de foyer waar een paar acteurs samenzweerderig tegenover elkaar zitten: ,,Ze zitten nu tijdens alle pauzes te pokeren.''

Psychologie

Na afloop vraag ik Landré of het extra techniek vergt: gelijktijdig toneel en kaart te spelen. ,,Je bent tegelijk met tekst en met handelingen bezig'', zegt hij na enig nadenken. ,,Terwijl er onder de tekst nog heel veel psychologie zit. Maar in principe is er geen verschil met andere rollen; er komt altijd veel techniek bij kijken. Dit stuk zit ongelooflijk knap in elkaar; soms lopen de gesprekken dwars door elkaar heen. Een technisch gegeven dat om extra veel alertheid vraagt. Je kunt vreselijk lachen om de treurigheid van die mannen. Maar als acteur kun je je niet even een pauze permitteren tijdens een dramatisch moment, zoals je bij andere stukken wel eens kunt doen. Dat zou het ritme er uithalen.

,,We hebben langdurige gesprekken gehad met een beroepspokeraar. Ook zij zeggen: we zijn absoluut niet verslaafd, je hebt hier juist heel veel discipline bij nodig. Voor hen is het zelfs een wetenschap. Maar soms móet je gokken. Dan spelen ze blufpoker, zoals ook de mannen in dit stuk voortdurend blufpoker spelen. Ook buiten de pokertafel. Ze zijn opgevoed met de gedachte dat je als man nooit je gevoelens mag tonen. Dus je bluft. Ja, voor ons waren die gesprekken nodig. In de tekst komen termen voor als pot limit en flop en flush – je moet weten wat die betekenen. En je moet weten wat je doet. Het publiek hoeft het spel niet te doorgronden, de acteurs wel.''

Lou Landré komt uit een artistieke familie. Zijn grootvader Willem en zijn oom Guillaume waren gerenommeerde componisten. Zijn vader, Joop Landré, was achtereenvolgens perschef bij Philips, radioverslaggever, directeur van de RVD, filmproducent en oprichter en directeur van de TROS. Zelf heet hij voluit Guillaume Louis Frédéric, maar zijn ouders noemden hem Lou. Toen hij acteur wilde worden, hebben ze hem ruimschoots gestimuleerd, zegt hij. Hij doorliep de Amsterdamse toneelschool en studeerde daarna nog twee jaar bij de befaamde Franse mimekunstenaar Etienne Decroux. ,,Op aanraden van Erik Vos, die een van mijn leraren was. Erik maakte me enthousiast; hij was óók bij Decroux geweest. Ik heb er inderdaad een geweldige tijd gehad. Decroux was geen starre mime-man die niets van tekst wil weten. Integendeel. Hij zei: er zit meer mime in de dictie van Sacha Guitry dan in menig mimenummer. Het ging hem om de muzikaliteit. En zelf was ik zeer beweeglijk in die tijd – dat is lang geleden, ver weg.''

Zijn acteursloopbaan begon Landré in 1965 bij de toenmalige theatergroep Studio. ,,Hartstochtelijk heb ik me destijds, in die tijd van provo en zo, overgegeven aan het maken van stukken via improvisaties. Maar dat was toen. Nu hou ik heel erg van prachtige, degelijke, goed doorwrochte en gecomponeerde stukken.'' In de reguliere mimesector heeft hij nimmer gewerkt. Maar nu we het erover hebben, vertelt hij schaterlachend over een kritiek die hij nog in 1973 kreeg van recensent Jac. Heijer in het Haarlems Dagblad, naar aanleiding van een Midzomernachtsdroom bij het Publiekstheater: ,,Lou Landré is een plastisch wonder, maar bederft het als hij iets moet zeggen.''

Mooie kritieken

Als ik vervolgens opmerk dat hij sindsdien heel wat mooiere kritieken heeft gehad, haalt Landré ietwat ongemakkelijk zijn schouders op. ,,Het verdwijnt allemaal achter je rug'', zegt hij. ,,Het bestaat alleen op het moment zelf. Dat is heel mooi en treffend geschreven door Antoine Uitdehaag.'' Hij heeft diens dichtbundel Dak zonder huis bij zich, slaat het open en citeert uit een gedicht over de toneelspeelkunst: Adembenemend streven zo/ levend licht te worden en/ dan erboven zweven.

,,De momenten waarop je erboven zweeft, dat het vanzelf gaat – die zijn de reden waarom je doorgaat. Ze komen niet veel voor, en ook lang niet bij ieder stuk, maar ze zijn er wel. Verder is er elke keer weer de spanning: to be or not to be. Als je er te veel bent, is het niet goed. En als je er te weinig bent, óók niet. Je begint iedere keer weer helemaal opnieuw. Zekerheden zijn er niet. Bagage? Je hebt niks aan bagage.'' Hij zwijgt, hij had eerder al gezegd het lastig te vinden iets helders te zeggen over zulke complexiteiten.

Ik leg hem voor wat de publiciteitsgevoelige Joop Landré in zijn memoires over zijn zoon schreef: ,,Ondanks vele schitterende kritieken is hij de eenvoud zelve gebleven en min of meer wars van publiciteit, een deugd waarop men zijn vader zelden kan betrappen...''

Lou Landré knikt. ,,Ik ben wat terughoudend, ja. Niet omdat ik zo bescheiden zou zijn, want zo bescheiden ben ik niet. Maar wel omdat ik er in het algemeen moeite mee heb over mijn werk te praten. Bij alles wat ik zeg, moet ik denken aan de lijfspreuk van Koos Speenhoff, de grootvader van mijn eerste vrouw en daardoor de overgrootvader van mijn kinderen: ,,'t Is anders.'' En waar ik niet dol op ben, zoek ik ook niet op. Ik heb bijvoorbeeld met heel veel plezier de welzijnswerker gespeeld in Flodder, maar ben nooit ingegaan op aanvragen van spelletjesprogramma's waar men je dan wil zien verschijnen. Ik vind het prettig met elkaar iets te maken, en in aanraking te komen met heel veel schrijvers. Maar mijn vader had gelijk: de poespas eromheen trekt me niet.''

`Poker'. Première 13 maart, Guido de Moor-zaal van het Nationale Toneel in Den Haag. Tournee t/m 15 mei. Inl. (070) 3181444, www.nationaletoneel.nl