`In mijn witregels gebeurt het allemaal'

Jean-Philippe Toussaint (1957) is een van de beroemde `minimalisten' van de Franse uitgeverij Minuit. In zijn jongste roman, `Liefde bedrijven', gaat hij echter psychologie noch bloemrijke taal uit de weg: ,,Mijn roman is heel rood geworden.'

Hier zit een man die tevreden is over zichzelf. De Brusselse schrijver Jean-Philippe Toussaint is 46 jaar oud, getrouwd, vader, filmer en fotograaf, en auteur van zes romans waaronder enkele bestsellers. Met een arrogantie die alleen in het Frans vanzelfsprekend klinkt, looft hij met luide stem zijn films, zijn boeken en zijn stijl in het algemeen. Tegelijk heeft hij voortdurend een scheef lachje op zijn gezicht, alsof die zelfingenomenheid maar een grap is. Alsof alles maar een grap is.

Toussaint wil afspreken in een toeristische brasserie op een nietszeggende plek in Parijs, waar hij voor een paar dagen verblijft. Het kenmerkt hem dat hij kiest voor het anonieme op het kille af. Vandaar ook dat hij zich zo lekker voelt op reis, en vooral in Japan. Vandaar ook dat zijn romans zich afspelen op onpersoonlijke plekken. Vooral de eerste en de laatste, De badkamer en Liefde bedrijven, die grotendeels spelen in hotelkamers en badkamers.

Het is niet de enige overeenkomst tussen de twee boeken, waar toch bijna twintig jaar tussen zat. Net als in Toussaints debuut gaat het in Liefde bedrijven over de spanning die zich opbouwt tussen twee mensen die van elkaar houden (of juist niet meer van elkaar houden) tot het onvermijdelijke moment van ontlading. Toussaint legt uit dat hij met opzet terugkeerde naar zijn vroeger werk: ,,Ik heb tussendoor compleet andere dingen gemaakt. La télévision bijvoorbeeld, over een man die probeert te stoppen met televisie kijken, was een humoristisch en gelukkig boek. In dat register was ik klaar. Nu wilde ik het geweld, de scherpte van mijn vroege werk terugvinden. In Liefde bedrijven heb ik dat erin gebracht door de hoofdpersoon met een flesje zoutzuur in zijn zak te laten rondlopen. Dat geeft een zekere dreiging aan alles wat hij doet daar in Tokio.'

Het geweld schuilt net onder de oppervlakte van oosterse terughoudendheid, zodat een explosieve spanning zich opbouwt. De twee uitgeputte geliefden, in een oververhitte hotelkamer of op straat in het ijskoude nachtelijke Tokio, slapen maar niet en blijven elkaar kwetsen tegen wil en dank. Uiteindelijk kruipt de agressie zelfs in de vergelijkingen, zoals wanneer Marie bij de douane haar bagage openmaakt `met een animo alsof ze daar ter plekke de zegels had moeten verbreken van de doodskist van een gestorven vriend wiens lichaam, na een verkeersongeluk in het buitenland, was gerepatrieerd'.

Ook het bedrijven van de liefde wordt zo `een worsteling waarin we beiden uitsluitend uit waren op ons eigen genot'. De directheid van de beschrijving draagt nog bij aan het weinig romantische van deze vrijpartijen. Het eerste deel van het boek eindigt bijvoorbeeld zo: `De dag brak aan boven Tokio en ik stak een vinger in de opening van haar aars'. Toussaint stemt ermee in dat het allemaal een stuk explicieter is dan in zijn eerdere romans: ,,Dat is nieuw voor mij, ja, om zo over seks te schrijven. In de Franse literatuur van nu gaat het zo vaak over seks, dat ik benieuwd was of ik er ook op mijn eigen manier over zou kunnen schrijven. Zonder dat seks meer belang krijgt dan de rest van het verhaal: recht voor zijn raap, maar zonder exhibitionisme. Ingetogen, maar expliciet.'

Streng

Net als andere auteurs van uitgeverij Minuit had Toussaint een voorkeur voor een uitgepuurde stijl en een onopgesmukt verhaal zonder psychologische diepgang. Maar tegenwoordig zijn er vergelijkingen of lyrische beschrijvingen te vinden in zijn werk. ,,Steeds meer eigenlijk', bevestigt Toussaint: ,,Ik vond vroeger dat je geen psychologie, en ook geen bijwoorden of bijvoegelijke naamwoorden moest gebruiken. Daar was ik heel streng in, een beetje alsof je tegen een schilder zegt dat hij geen roze in zijn schilderijen mag stoppen, terwijl het natuurlijk gaat om hoe hij dat roze gebruikt. Nu heb ik meer zelfvertrouwen. Ik ben niet bang meer voor bijwoorden. Of voor bijvoeglijk naamwoorden. Maar ik blijf op mijn hoede.'

Toussaint is een verklaard bewonderaar van Mondriaan, wiens `immobilité dynamique' hij prees in La salle de bain. Die `dynamische onbeweeglijkheid' hebben zijn eigen verhalen ook, waarin de personages gedoemd lijken tot een niet aflatende rondedans op de plaats, zonder veel houvast in de alledaagse wereld.

Daarin is ook Toussaints liefde voor Beckett te herkennen, net als in zijn voorkeur voor stiltes en witregels: ,,De witregels in mijn proza zijn net zo belangrijk als in poëzie. Er gebeuren echt dingen in. Om te zien wat het effect van de compositie op de pagina is, heb ik de tekst van La télévision eens op de computer gereduceerd tot veertien velletjes, zodat hij niet meer leesbaar was. Je zag alleen maar abstracte tekstblokken. Die vellen heb ik vervolgens geëxposeerd. Maar poëzie zal ik niet schrijven. Ik vind dat te gesloten: poëzie wordt bijna niet meer gelezen. Ik wil publiek, ik wil contact, en ik wil van deze tijd zijn.'

Een van de manieren om van zijn tijd te zijn, is voor Toussaint het maken van films, zoals La patinoire, over een filmset op een ijsbaan, met een hoofdrolspeelster die niet kan schaatsen en alle kluchtige gevolgen vandien. Een compleet ander verhaal dan we van zijn romans gewend zijn, maar Toussaint ziet wel degelijk overeenkomsten tussen zijn verschillende activiteiten: ,,Wat films maken en boeken schrijven met elkaar te maken hebben, is het licht. Bij beiden begin ik met een lichtplan maken, voordat ik aan het werk zelf begin. Vooral in dit laatste boek was het belangrijk. Het is een visuele roman, maar niet op een cinematografische manier. Ik heb geprobeerd licht te maken met woorden, al is dat heel moeilijk. Alleen echt goede schrijvers hebben het in hun romans over het licht. En de kleuren! Er bestaat in het Frans een Dictionnaire du rouge, met alleen maar woorden die op de kleur rood betrekking hebben. `Roodvonk', bijvoorbeeld, of `roodgloeiend'. Dat woordenboek heb ik helemaal gelezen voordat ik met schrijven begon, zodat mijn roman heel rood is geworden. Je weet alleen nooit zeker of de lezer hetzelfde rood ziet als ik.'

Hoeveel tekst en beeld met elkaar te maken hebben bij Toussaint, blijkt ook uit de `teksten' die hij publiceerde in een on-line literair tijdschrift (www.bon-a-tirer.com). 'De dag dat ik Anna naar school bracht', bijvoorbeeld, bestaat uit een serie foto's van het ochtendritueel van Toussaints dochtertje. Een dergelijk autobiografisch werk is niet wat je verwacht van een Minuit-auteur, in ieder geval niet van een van de `minimalisten' van die uitgeverij.

Autofiction

Toch publiceerde Toussaint in 2000 ook zijn Autoportrait (à l'etranger), een verzameling teksten die nog het meest op reisverhalen lijken. Toussaint bestrijdt het idee dat het hier gaat om het in Frankrijk zo bloeiende genre van de `autofiction': ,,Wat ik doe is veel interessanter dan autofiction. Het is een bevragen van de literatuur door het zelfportret, zoals Rembrandt de schilderkunst onderzocht met zijn zelfportretten. Het is in mijn tekst niet van belang dat ik op Corsica een ham gewonnen heb bij jeu de boules, maar wel wat ik met dat gegeven doe. Ik speel ermee, heel amusant en virtuoos. Mijn zelfportret heeft daardoor veel meer met beeldende kunst te maken, met het werk van Nan Golding bijvoorbeeld. Er is in de beeldende kunst ook een neiging naar het intieme op het moment.'

Alle romans van Jean-Philippe Toussaint zijn vertaald door Marianne Kaas. Ze verschenen bij Van Gennep, behalve `Liefde bedrijven' dat verscheen bij uitgeverij Bert Bakker. Toussaint treedt tijdens de Boekenweek onder meer op in Amsterdam, Groningen en Eindhoven. Zie www.boekenweek.nl