In de ontgoochelingsmachine

Balzac wilde zijn tijd in woorden vangen, en dat lukte hem meesterlijk in zijn `Illusions Perdues', nu vertaald in het Nederlands. Cynisme is realisme, in een wereld waarin alles draait om handel en geld.

Honoré de Balzac (1799-1850) genoot in zijn eigen tijd een dubieuze reputatie. Men vond hem een beetje vulgair, net iets te uitbundig en opzichtig, een soort literaire nouveau riche. Natuurlijk kon enig talent hem moeilijk worden ontzegd, maar luister eens naar Antoine Fontaney, een nu vergeten romanticus, die op 7 september 1831 in zijn Journal intime noteert: `Eindelijk zie ik hem dan, de nieuwe ster. Dikke jongeman, levendige ogen, wit jasje, houding van een drogist, kleren van een slager, voorkomen van een vergulder, een oogverblindend geheel. Dit is de man bij uitstek van de literaire commercie'.

Balzac was in 1831 pas 32 jaar oud, maar hij had al heel wat bij elkaar geschreven en gepubliceerd, waaronder enkele van de romans en verhalen die na 1841 werden samengebracht in de Comédie Humaine, Balzacs eigen literaire versie van de vroeg negentiende-eeuwse Franse samenleving. Er zouden er nog vele volgen, geschreven voor de roem en voor het geld, geld dat Balzac hard nodig had om de schulden af te betalen, die een mislukt avontuur als uitgever en drukker hem had opgeleverd.

Mede door een op z'n zachtst gezegd weinig spaarzame levenswandel is hij die schuldenlast nooit kwijtgeraakt. Zodat we hem tien jaar later vertwijfeld horen uitroepen: `Scheppen, altijd scheppen! God heeft maar zes dagen geschapen!'. Tot aan zijn vroege dood in 1850 bleef Balzac de gevangene van pen, inkt en – om wakker te blijven – koffiepot, altijd in de weer om uitgevers en krantenredacties (want veel van zijn werk verscheen eerst als feuilleton) van verse kopij te voorzien.

Geen roman binnen de Comédie Humaine geeft een beter beeld van de literaire en journalistieke wereld waarin Balzac opereerde dan Illusions perdues. Deze roman, bestaande uit drie delen die aanvankelijk apart werden gepubliceerd, verscheen in 1843 als een geheel en is nu voor het eerst vertaald – door Jan Versteeg – in het Nederlands.

De titel (Verloren illusies) belooft niet veel goeds, en die belofte lost Balzac in. Vooral het tweede deel (`Een groot man uit de provincie in Parijs') bestaat uit een aaneenschakeling van decepties. Parijs blijkt heel anders te zijn dan de mooie jonge dichter Lucien Chardon uit Angoulême (die via zijn adellijke moeder aanspraak meent te mogen maken op de achternaam De Rubempré) en zijn lokale muze madame de Bargeton hadden gedacht. Maar allereerst vallen zij elkaar tegen, zodra de hoofdstad voor meer vergelijkingsmateriaal heeft gezorgd. Hun liefde verdampt al tijdens de eerste avond uit in het theater.

Parijs ontpopt zich als een ontgoochelingsmachine, waaraan bijna alles en iedereen ten prooi valt. Ook de literatuur moet eraan geloven, evenals de journalistiek, waarin Lucien na zijn echec met madame de Bargeton terechtkomt. Overal doemen achter de schone schijn verval en verloedering op, list en bedrog, haat en jaloezie, terwijl maar één waarde zijn soliditeit niet verliest: de waarde van het geld.

Uitgevers blijken nergens anders belangstelling voor te hebben. En oh wee, als iemand met een dichtbundel aan komt zetten; voor poëzie deinzen ze terug als voor een besmettelijke ziekte: `Ah, u bent een dichter, dan hoef ik uw roman niet meer'. Pas via de omweg van de journalistiek lukt het Lucien zijn Meibloemen alsnog te slijten, maar tegen die tijd is de `poëzie' uit hemzelf verdwenen, want de wereld van de krant blijkt zo mogelijk nog corrupter dan die van de literatuur. `Een hel, een poel van onrecht, leugens en verraad', krijgt Lucien te horen. In de `Houten Galerijen' van het Palais Royal, duizelingwekkend beschreven als hét commerciële centrum van het gedrukte woord, komen uitgeverij en journalistiek samen, tegelijk met politiek en prostitutie, en Balzacs suggestie valt moeilijk over het hoofd te zien: het is allemaal één schaamteloze pot nat.

Net als in het theater, waar Lucien zijn maîtresse Coralie opdoet, draait alles om geld en genot. `In twee parallelle lijnen kwamen er twee soorten bederf op hem af, als twee stromen water die samenvloeiden en zo een overstroming veroorzaakten'. Lucien wordt er reddeloos door meegesleept; hij mist het karakter en de wilskracht én hij is te ijdel en te ambitieus om zich ertegen te verzetten. Zijn ster rijst razendsnel, omdat hij over echt talent beschikt en al zijn scrupules overboord zet. Maar nadat ijdelheid en eerzucht hem overmoedig hebben gemaakt, volgt even snel de diepe val.

Balzac is op zijn best in het schilderen van corruptie en verdorvenheid. Het kost geen moeite om met Luciens hellevaart mee te gaan, want zodra het morele tegenwicht in beeld komt, klinkt de stem van de schrijver een stuk minder overtuigend.

Luciens moeder en zuster, die alles voor hem over hebben en zo – onbedoeld – zijn karakter bederven, zijn een paar onwaarschijnlijke braverds, en dat geldt ook voor Luciens boezemvriend David Séchard, een uitvinder die op zoek is naar een methode om goedkoper papier te maken en die in het derde deel de hulpeloze prooi wordt van een stel even schijnheilige als onbarmhartige concurrenten. In Parijs wordt de deugd vertegenwoordigd door de nobele vrienden rond de schrijver Daniel d'Arthez; zij kennen het woord `afgunst' niet en hebben met de `Mensheid' het beste voor, met als gevolg dat er over hen ook niet veel boeiends te vertellen valt.

Balzac had zich ten doel gesteld de wereld van zijn tijd in woorden te vangen, en die wereld vond hij er een van verval en verloedering. Om deze opvatting zo krachtig mogelijk te ondersteunen, was hij wel gedwongen aan het kwaad de meeste aandacht te besteden. Daarbij komt dat zijn remedie voor het verval (de terugkeer naar het traditionele gezag van Troon en Altaar) geïnspireerd werd door een weinig optimistisch beeld van de mens als een van nature tot het kwade geneigd wezen.

Balzac was overigens wel zo eerlijk om het kwaad niet op een partijdige manier te verdelen. Dus ook kerk en adel, toch de belangrijkste steunpilaren van Troon en Altaar, komen er in de Comédie Humaine niet al te best af, individuele uitzonderingen daargelaten. Terwijl nota bene een republikein een van de meest deugdzame leden van de vriendenclub rond Daniel d'Arthez blijkt te zijn.

Voor deze onpartijdigheid heeft Balzac veel waardering ontvangen van marxistische critici, te beginnen met Marx en Engels zelf. In een beroemd essay over Illusions perdues wordt hij geprezen door Georg Lukács, omdat zijn `realisme' altijd sterker was dan zijn politieke voorkeuren. In zijn romans beschreef hij de strijd van de bourgeoisie tegen de laatste feodale resten en de triomf van het moderne kapitalisme; het enige wat nog ontbrak was het verlossende perspectief van de proletarische revolutie, dat pas door Marx werd geboden. Vandaar de totale desillusie, niet versluierd door enig Vooruitgangsgeloof. Balzac beschreef zonder oogkleppen de werkelijkheid van zijn tijd (`dat wat is'), en verder kon een burgerschrijver in die fase van de geschiedenis nu eenmaal niet komen.

Inmiddels behoort ook de proletarische revolutie tot de geschiedenis. Maar de wereld die Balzac in Illusions perdues beschrijft, heeft nog niets aan actualiteit ingeboet. Dat literatuur vóór alles handel is, de pijnlijke waarheid die uitgevers en journalisten er bij Lucien de Rubempré inhameren, wordt door de huidige gang van zaken (waarin een roman per advertentie wordt aangeprezen met het aantal exemplaren die ervan verkocht zijn) niet gelogenstraft. Klachten over en veroordelingen van de toenemende commercialisering van de letteren zijn dan ook alom te vernemen.

Het heeft alleen wel iets merkwaardigs om precies dezelfde klachten en veroordelingen ook al ruim anderhalve eeuw geleden tegen te komen. Niet alleen bij Balzac trouwens. Zo heeft Tocqueville het in deel II van De la démocratie en Amérique (1840) over de `literaire industrie', onvermijdelijk in een democratie, waaruit slechts een paar `grote schrijvers' zullen voortkomen, terwijl het merendeel zal bestaan uit `verkopers van ideeën'. Een jaar daarvoor had Sainte-Beuve in zijn artikel `De la littérature industrielle' allerlei commerciële aspecten van de literatuur aan de kaak gesteld, van advertenties tot het – toen nog nauwelijks geregelde – copyright, met als overkoepelend bezwaar dat `tegenwoordig' alles nog alleen maar om het geld leek te draaien.

In zijn artikel noemt Sainte-Beuve ook het tweede deel van Illusions perdues (dat voor het eerst in 1839 was verschenen) en hij vestigt er fijntjes de aandacht op dat Balzac weliswaar een hele reeks misstanden hekelde, maar vergat te vermelden dat dit hem niet in conflict bracht met degenen die hij had aangevallen, `zodra hun belangen weer gemeenschappelijk waren geworden'. Met andere woorden: de kritiek kon zelf eveneens als koopwaar worden verhandeld. Hoe werd Balzac ook al weer aangeduid in het dagboek van Fontaney? Als `de man bij uitstek van de literaire commercie'. Zelf noemde hij zich ooit een `koopman van ideeën'.

Misschien mogen we Balzacs meedogenloze weergave van de literaire en journalistieke wereld dus ook opvatten als een blijk van zelfkennis. In dat geval berusten de door hem vertolkte klacht en veroordeling op medeplichtigheid.

Bijna overal zou dat iemand een terechte beschuldiging van hypocrisie opleveren, maar niet in de literatuur. Daar strekt zo'n troebele, dubbelzinnige medeplichtigheid eerder tot aanbeveling. Literatuur hoeft niet eerlijk te zijn in de strikt morele zin van het woord. Haar eerlijkheid, als dat nog de juiste term is, kan ook het tegendeel ervan omsluiten. Literatuur moet juist de contradicties en tegenstrijdigheden laten uitkomen, de hopeloze vermenging van goed en kwaad, die niet zozeer wordt opgelost als wel verhevigd. Daniel d'Arthez zegt ergens in Illusions perdues: `Wat is kunst, meneer? Dat is de Natuur in geconcentreerde vorm'. Dit recept heeft Balzac met verve in praktijk gebracht.

Het resultaat daarvan is belangrijker dan welke remedie ook. In het voorwoord bij de Comédie Humaine mag Balzac pleiten voor het herstel van Troon en Altaar en in een van de (niet meevertaalde) voorwoorden bij Illusions perdues mag hij het `pleidooi voor de familie' aanwijzen als de moraal van de roman, voor de kracht van zijn proza maakt het allemaal niets uit. Die ligt elders en is voelbaar op elke bladzijde, als een elementaire energie die zich van morele onderscheidingen en restricties niets aantrekt – net als de historische krachten waardoor de Franse samenleving van de negentiende eeuw werd omgewoeld.

Op grond van deze overeenkomst, zou je Balzac dé romancier van het moderne kapitalisme kunnen noemen. Telkens overwint de macht van het geld, óók in literair opzicht, getuige de superieure kwaliteit van de passages waarin het verval en de verloedering (bij Balzac vrijwel steeds gerelateerd aan geld en berekening) breed worden uitgemeten. Je zou er haast cynisch van worden, maar ook die reactie is al prominent aanwezig en wel in de gedaante van Jacques Collin, de supermisdadiger die in Le père Goriot optreedt onder de schuilnaam Vautrin. Tegen het eind van Illusions perdues ontfermt hij zich als de Spaanse priester Carlos Herrera over een wanhopige Lucien en in de vervolgroman Splendeurs et misères des courtisanes zal hij overlopen naar de politie, nadat hij Lucien ditmaal niet voor zelfmoord heeft kunnen behoeden.

Collins uiteindelijke metamorfose (hij brengt het zelfs, net als zijn historische voorbeeld Vidocq, tot politiechef) onderstreept de alomtegenwoordigheid van het cynisme. Wanneer hij Lucien tegen het lijf loopt, krijgen we uit zijn mond de beginselen ervan te horen, een `code de l'ambition', die de laatste restjes illusie wegschraapt. Als betrof het een omkering van Rousseau's cultuurkritiek, worden schijn en bedrog geprezen, terwijl `succes' als enig doel en criterium overblijft. Zo zit de wereld in elkaar: `Laten we logisch nadenken. Wanneer u aan een speeltafel plaatsneemt, gaat u dan over de regels discussiëren? De regels zijn gegeven, die aanvaardt u'. Tussen cynisme en realisme bestaat, kortom, geen enkel verschil meer.

Dat geldt natuurlijk niet voor Balzacs literaire realisme, juist dankzij die `geconcentreerde' oftewel verhevigde vorm. Dat realisme is immers, zoals Baudelaire al opmerkte, ook `visionair': het laat zien wie wij zijn en hoe het er met ons voorstaat, en overtreft daarin alle morele, al dan niet vergeefse remedies. Ziedaar een kracht van de literatuur, die door de commercialisering nooit kan worden afgepakt, ook al laat diezelfde literatuur – zoals bij Balzac – glashard zien hoezeer `industrie' en `commercie' deel zijn gaan uitmaken van de literaire biotoop.

Het samenvallen van cynisme en realisme ontmoeten we weer wel in de stijl van Balzac, waar het niet weinig bijdraagt tot het leesplezier. Het zit in een bitter aforisme als: `Waar de armoede ophoudt, begint de gierigheid' of in een terloops zinnetje als: `Hij zat aan tafel met een vrouw die te lelijk was om niet zijn wettige echtgenote te zijn'. Maar evengoed vinden we het terug in een typisch Balzaciaanse volzin, waarin bijna een heel leven suggestief wordt samengevat:

`De noodzaak om op goede voet met haar vader te blijven, wiens dood mevrouw de Bargeton pas in staat zou stellen naar Parijs te gaan, een dood die echter zo lang op zich liet wachten dat de schoonzoon nog eerder stierf dan hij, dwong meneer en mevrouw de Bargeton in Angoulême te wonen, waar de briljante geestelijke kwaliteiten en de in het hart van Naïs nog onontgonnen verborgen rijkdom aan gevoelens geen enkele kans kregen zich tot iets vruchtbaars te ontwikkelen, en waar op den duur nog slechts om gelachen werd'.

Zulke volzinnen stellen hoge eisen aan de vertaler. Hier gaat het bijvoorbeeld tegen het eind eventjes mis, maar over het algemeen heeft Jan Versteeg het er heel behoorlijk vanaf gebracht, zodat Verloren illusies bijna net zo meeslepend is geworden als Illusions perdues. Eén foutje moet ik niettemin vermelden, omdat het aan de kern raakt van wat Balzac in deze roman probeert te tonen.

Het gaat over de krant, waarvan iemand zegt: `In plaats van een priesterlijke taak te vervullen, is de krant een partijpolitiek wapen geworden; in die hoedanigheid is hij handel geworden'. Maar letterlijk vertaald staat er: `van wapen (Balzac schrijft overigens `moyen') is hij handel geworden'. Het gaat dus om een opeenvolging, een voortgeschreden verloedering, die Versteeg heeft gemist.

De krant als `handel'? Voor de journalist in mij blijft het een bittere pil. Maar als we die handel verbinden met de literaire commercie, dan zit er weinig anders op dan hem gewoon door te slikken. Wat dat betreft komt het mooi uit dat deze vertaling in de Boekenweek verschijnt, want zelden in het jaar is de band tussen journalistiek, literatuur en commercie inniger. Al zijn we er intussen zo aan gewend geraakt dat het geen mens meer opvalt.

Honoré de Balzac: Verloren illusies. Vertaald, van aantekeningen en een nawoord voorzien door Jan Versteeg. G.A. van Oorschot. 736 blz. €39,– (geb.), €29,– (pbk). Vanaf 1 april €45,– en €35,–