Franser dan de anderen

De bundel Franser dan Frans van de Leidse emeritus hoogleraar geschiedenis H.L. Wesseling is een herhalingsoefening. Een beetje voor de auteur, die véél over zijn geliefde Frankrijk heeft geschreven – onder meer in deze krant – en een aantal van zijn korte beschouwingen voor de gelegenheid nog eens nagelopen is, en hier en daar een kleinigheid veranderd heeft.

Maar ook, en dat is toch wel jammer, voor de lezer. Van de achttien nu gebundelde bijdragen verschenen er vijftien in eerdere bundels als Vele ideeën over Frankrijk (1988), Oorlog lost nooit iets op (1993) en Alles naar wens (1998). En dat is nog niet alles, wat betreft de herhaling, want bijvoorbeeld de korte artikelen over de gastronomie en Franse eetcultuur waren in 1988 al herpublicaties uit 1975 en 1976. Dit keer zijn ze opgenomen als apéritif.

Nu is in sommige gevallen een uitbundige reprise geen bezwaar. Een historicus mag immers hopen dat zijn blik op het betrekkelijk onveranderlijke verleden scherp genoeg is om zijn frisheid te behouden – en zijn werk dus geschikt voor vruchtbare recycling. Wesseling verenigt enkele eigenschappen die in dat opzicht een zekere verwachting wekken. Zijn kracht is immers de schijnbaar achteloze vertelling, gedragen door eruditie. Uit de losse hand vertelt hij in in toegankelijke stijl, afgewisseld met gedoseerde anekdotes en typeringen, de grote gebeurtenissen van zeg, de negentiende-eeuwse Juli-monarchie. Met evenveel gemak maakt hij de `kleine geschiedenis' van bistrot en brasserie onderhoudend.

Maar veel spannende inzichten levert dat alles niet op. Om bij de Juli-monarchie te blijven, Wesseling behandelt die aan de hand van Ary Scheffer, schilder van Nederlandse afkomst met een interessante familiegeschiedenis en verbonden met koning Louis Philippe. Een mooi verband, dat echter niet uitgroeit tot een verrassend perspectief. Daarvoor is hij misschien toch niet genoeg denker en uitzoeker.

Erger is dat ondanks de kennelijke updates, ook het perspectief op Frankrijk langzaam maar zeker gedateerd raakt. De lijnen die Wesseling uit het zo dierbare Franse verleden doortrekt naar nu, vervagen. Zo valt te betwijfelen of in Frankrijk alle grote veranderingen nog steeds door revoluties plaatsvinden, zoals hij aanneemt. Hij beschrijft als groot politiek-cultureel verschil tussen Nederland en Frankrijk dat hier buitenlandse politiek altijd op universele idealen is gegrondvest en daar niet. Maar had dan een kleine verwijzing naar de Franse positie in de laatste Irak-oorlog niet misstaan? Ook het integratiedebat in Frankrijk is niet opgehouden met een beschouwing uit 1998 over het wereldkampioenschap voetbal van de inmiddels overleden oud-minister van De Gaulle, en diens latere biograaf, Alain Peyrefitte.

Het merkwaardige is dat Wesseling zelf ook, in een van zijn nieuwere artikelen, constateert dat Frankrijk steeds meer `comme les autres' wordt. Hij ziet dat onder meer als gevolg van wat hij noemt `algemene maatschappelijke onduidelijkheden'. Maar door zich daar in zijn eigen beschouwingen weinig van aan te trekken, maakt Wesseling in zeker, onbedoeld, opzicht wel de titel van zijn bundel waar.

H.L. Wesseling: Franser dan Frans. Bert Bakker. 258 blz. €17,50