Een zorgeloos waaiende pen

W.F. Hermans diende zijn lezers graag van advies, op de hem bekende welwillend-sarcastische toon. Je zou natuurlijk ook kunnen zeggen dat hij geen gelegenheid voorbij liet gaan om hen de les te lezen. In de periode van eind 1973 tot 1991 woonde hij in Parijs, vanwaaruit hij zijn lezers, als Age Bijkaart vooral, onder meer wees op de kleine, maar betekenisvolle verschillen tussen Frans klínkende en echt Franse woorden. Een `tompouce', zo betoogde hij in een van zijn krantenstukken, in Het Parool, is niet hetzelfde als een `tom-pouce'. Een `tom-pouce' is een paraplu met een korte steel en niet iets om op te eten, en men kan er dus beter niet om vragen in een Parijse banketbakkerij. In een ander stuk wees hij op een krantenkop die mogelijk gebruikt zou kunnen worden bij het schriftelijk eindexamen Frans: `Mitterrand: non brutal aux catholiques'. Hermans raadde de eindexamenkandidaten af om dit zinnetje te vertalen als: `Mitterrand: een brutale non voor katholieken', – `want dat is fout'. Maar hij voegde er vilein aan toe: `Hoewel, gezien het huidige Nederlandse onderwijspeil, kun je er vast nog wel een zes uit slepen.'

Arjan Peters, literatuurcriticus van de Volkskrant, stelde ter gelegenheid van de Boekenweek, een bloemlezing samen uit de Parijse krantenstukken van Hermans, die op een zestal na eerder gebundeld werden. In De weerspannige slaper kunnen wij dus hernieuwd kennismaken met de Franse kant van Hermans. We kunnen hem volgen door zijn Parijse jaren heen, al ligt de nadruk wel heel sterk op de jaren zeventig. De lichtstad had, zo meent Peters in zijn inleiding, een opmonterende uitwerking op zijn proza. Dat kan alleen maar beaamd worden. Hier spreekt een tamelijk tevreden en ontspannen mens, die het kennelijk goed naar zijn zin heeft in Parijs, volgens hem niet alleen de zondigste, maar ook de mooiste stad ter wereld. Er valt natuurlijk nog genoeg te mopperen, over zijn landgenoten bijvoorbeeld: die beheersen hun vreemde talen niet, weten niet te genieten van lekker eten, zijn in de ban van het kwalijke communisme en lijden aan subsidieziekte. Niet alleen de melk wordt gesubsidieerd (in de jaren zeventig althans) zodat `het Russische leger' voor een dubbeltje per kilo boter kan kopen, aldus Hermans. Maar ook schrijvers en dichters (`mits ze nooit iets lezenswaardigs voortbrengen') kunnen plukken uit de staatsruif en niet te vergeten honderdvijftigduizend studenten (`terwijl nauwelijks te verwachten valt, dat er meer dan drie [...] ooit een wetenschappelijke ontdekking van enige betekenis zullen doen.')

Persoonsgegevens

Opvallend is dat Hermans weinig persoonlijke appeltjes te schillen heeft en dat hij alleen een paar keer afgeeft op J.B. Charles, `de Leydsche hoogleraar misdaadkunde' en op de schaker Jan Hein `Dommer' en op enkele politici. De toon is mild voor zijn doen en soms komt Nederland er zelfs beter af dan Frankrijk. Terwijl in Franse kranten, tot Hermans verbijstering, zonder pardon namen en adressen van verdachten worden prijsgegeven, met alle stigmatisering en andere ellende vandien, gaat de Nederlandse pers discreet om met gevoelige persoonsgegevens.

Hoewel zijn ware pessimistische aard zich nooit helemaal verloochent en het duidelijk is dat hij niet tot de gezelligheidsdieren behoort (`hoe minder zielen hoe meer vreugd'), laat hij zich hier met enige regelmaat betrappen op groot enthousiasme. Over Van Gogh bijvoorbeeld is hij enorm te spreken, zowel over zijn brieven als over zijn schilderijen, ook al valt er op het perspectief dan wel eens wat af te dingen. Over het Centre Pompidou, dat zo rijk is aan mogelijkheden voor de bezoeker, noteert hij vergenoegd dat het hem `hartkloppingen van geestdrift' bezorgt. `Het is een groot geluk in een stad te wonen waar zulke wonderwerken tot stand worden gebracht.' Ook het latere Musée dOrsay voldoet aan zijn hoge verwachtingen. Over een ander, veel kleiner museum, waar aanplakbiljetten worden verzameld, het Musée de l'Affiche, merkt hij met gevoel voor nuance op dat hij er `wel blij' mee is, `maar niet dolblij'. Er is weinig in Parijs, zo lijkt het, wat aan zijn gretige aandacht weet te ontsnappen. Hij ziet bruggen, gebouwen, stegen, straten, boulevards, pleinen en parken – met daarin soms een illegale, `weerspannige' slaper, bezoekt rommelmarkten, neust ook graag in vuilnishopen, heeft een speciale voorliefde voor oude dames die wandelen met aangeklede hondjes en trouwens ook, maar dan op plaatjes, voor onaangeklede, jongere dames zonder hondjes en schrijft over dit alles met smaak.

Wie al een tijdje niets meer van Hermans gelezen had, zoals ik, zal toch al aangenaam getroffen zijn door zijn heldere, levendige stijl en zijn fijne neus voor het vermakelijke detail. Over de eerder genoemde blote of halfblote vrouwen, pornosterren, reclamemeisjes of naaktmodellen, schrijft hij met droge afstandelijkheid. Aan Sylvia Kristel, die in de jaren zeventig furore maakte als Emmanuelle, wijdt hij zelfs twee beschouwingen. Zij is heel anders dan Brigitte Bardot, meent hij. Hoe naakt zij er ook bijloopt en door hoeveel kerels zij zich ook gewillig laat bespringen, toch blijft zij in zijn ogen steeds een oppassende Hollandse deerne, met een onzichtbaar Volendams mutsje op haar hoofd. Bij hem weet zij althans geen enkele ondeugende gedachte op te roepen. `Dit is, zeg je bij jezelf, een braaf meiske dat haar nachtjaponnetje toevallig niet vinden kan.'

Het lijkt wel of Hermans in deze krantenstukken vakantie nam van het echte schrijven en zijn pen tamelijk zorgeloos liet waaien. Het zijn geen doorwrochte essays, maar wel mooie, luchtige beschouwingen over van alles en nog wat, in en rond Parijs. Neem bijvoorbeeld zijn geestige verhandeling over `het Franse elektriciteitswezen', met zijn – in 1975 althans – verschillende netspanningen en zijn verwarrende diversiteit aan stopcontacten, fittingen, stekkers en gloeilampen.

Zedenverwildering

Of neem de ronduit hilarische beschrijving van de twee winkeldiefstallen die hij stilzwijgend bijwoonde – een jongeman die kalmpjes een schroevendraaier in zijn binnenzak laat glijden en een `degelijke huismoeder' die een nieuwe handtas uitzoekt, hem zonder blikken of blozen om haar schouder hangt en vervolgens de winkel ermee verlaat. Deze uitingen van kleine criminaliteit illustreren zijn kloeke stelling dat de zeden verwilderen. En waarom? De mensen voelen zich niet meer verantwoordelijk voor hun gedrag en voor hun omgeving, meent hij, omdat de Staat bijna alles voor hen regelt en bestiert.

Hijzelf behoort duidelijk niet tot de mensen die de verantwoordelijkheid voor hun daden uit handen geven en er schaamteloos op los leven. Voortdurend geeft hij zich in zijn stukken rekenschap van zijn doen en laten, zonder ergens omheen te draaien. Bij al zijn gelijkhebberigheid is hij ook in staat om zichzelf en zijn schrijverschap in een groter perspectief te zien. De filosoof Leibniz, zo weet hij, sliep heel weinig, en kon daardoor een enorm oeuvre voortbrengen. `Toen hij zo oud was als ik', merkt Hermans vol ontzag op, `had hij wel vijfmaal zoveel geschreven en daarbij waren dingen die honderd- of duizendmaal meer betekenden dan alles wat ik ooit beweren zal – zelfs deze op het oog bescheiden toevoeging klinkt al aanmatigend.' Het is hem graag vergeven, deze aanmatiging. Voor dat weinige dat hij dan in vergelijking met Leibniz nog geschreven mag hebben, mogen we hem nog altijd bijzonder erkentelijk zijn.

W.F. Hermans: De weerspannige slaper. Parijse notities. De Bezige Bij, 366 blz. €19,90