Een land van lusteloze verliezers

Ooit was de kruidenier `de alpha en omega van onze maatschappij', aldus Balzac in een prachtige reeks tijdopnames van de gewone Fransman. Een reprise van die morele encyclopedie laat een Frankrijk zien vol gefrustreerde loonslaven en schuimende schooiers.

Wie in het midden van de negentiende eeuw postbode was, had twee exemplaren van hetzelfde uniform: een hemelsblauwe jas met rode kraag, twee grijze broeken, de één van zware stof voor de winter, de ander – voor de zomer – van lichtere kwaliteit. Daarbij hoorde een ronde hoed, van glanzend leer, met een smalle rand, die bij heftige buien als dakgootje fungeerde, waardoor het water precies in zijn boord liep, langs zijn rug naar beneden. Eerst oefende de aspirant-postbode zich onder het strenge toezicht van de chef in het sorteren van de post: per dag moesten er in Parijs maar liefst 54.000 brieven worden bezorgd, brieven waarvan de eer, het lot en het leven van hele families afhingen. Doordrongen van zijn verantwoordelijke taak trotseerde de postbode weer en wind, klopte op deuren om te weinig betaalde porti te innen en naar verhuisde geadresseerden te informeren. Zijn loon was een fooi, aangevuld met een goede gift aan het eind van het jaar.

Dit portret van de postbode uit het midden van de negentiende eeuw is afkomstig uit Les français peints par eux-mêmes, Encyclopédie morale du XIXe siècle, een reeks van 423 geïllustreerde teksten, alle toegespitst op `types' en `karakters' van die tijd. Het is een indrukwekkende reeks, waaraan 37 auteurs en 44 illustratoren meewerkten en die tussen 1840 en 1842 werd uitgegeven door de jonge, ondernemende uitgever Leon Curmer. Onlangs werd de reeks (gedeeltelijk) opnieuw uitgegeven door uitgeverij La Découverte.

De vorm van de `morele encyclopedie' sloot aan bij de toen heersende mode van de zogenaamde `fysiologieën', korte geestige karakterschetsen, die Honoré de Balzac in zijn Monographie de la presse parisienne niet zonder ironie definieerde als `de kunst om op een incorrecte manier te spreken en te schrijven over welk onderwerp dan ook, in de vorm van een klein blauw of geel boekje'. Curmer, een modern denkende zakenman, profiteerde van de populariteit van het genre en wist met dit ambitieuze project zijn tijdgenoten een sociaal panorama van hun eeuw te verschaffen. Literatuur werd een spiegel van de maatschappij. Als eerste uitgever maakte hij gebruik van de combinatie van tekst en beeld: hij vroeg schrijvers van naam om literaire bijdragen en engageerde beroemde karikaturisten, zoals Paul Gavarni en Honoré Daumier.

Het voorwoord bij Les français peints par eux-mêmes werd geschreven door de auteur en criticus Jules Janin (1804-1874), die betoogt dat grote klassieken in zijn ogen, Molière en La Bruyère, zich in hun werk veel te veel hadden beziggehouden met de gebeurtenissen aan het hof en veel te weinig met het leven van de `gewone' Fransman. Wat, vroeg Janin zich af, is de indruk die het nageslacht overhoudt aan zijn tijd? Ze zouden kunnen denken dat er alleen maar redevoeringen werden gehouden in Parijs, gekeuveld aan het hof, geredetwist bij de rechtbank, traktaten geschreven in de krant. Niets is er te vinden over hoe de gewone mens woont, eet of zich kleedt. Curmer en Janin wilden het nageslacht laten zien hoe de huizen van de `gewone' Fransen eruit zagen, hoe vrouwen zich kleedden, hoe de tafel werd gedekt en de pruik gepoederd. Zij wilden vermeld zien dat de opkomst van de `homme d'argent' gepaard ging met het uitsterven van de echte `gentilhomme' en de `grand seigneur' en dat de `fijne conversatie' zoals die ooit bloeide in de vermaarde salons een zachte dood was gestorven. Op het gebied van de liefde constateerde Janin met verbazing dat de `galanterie' was verdwenen, dat passie een publieke zaak was geworden en dat `het hart in de etalage lag, zoals gouden colliers in de uitstalkast van de juwelier'.

In de recente heruitgave zijn onder andere drie prominente portretten van Balzac opgenomen: `De kruidenier', `De vrouw zoals zij hoort te zijn' en `De notaris'. Vooral de schets van de dikbuikige, onvermijdelijke kruidenier is kostelijk. Zijn monumentale `omnipotentie' is volgens Balzac een van de meest uitgesproken fenomenen van de `moderne' tijd, zijn werklust en beleefdheid het symbool bij uitstek van een prijzenswaardig burgerlijk arbeidsethos. Wie koopt de mooiste literaire uitgaven? Wie zie je 's avonds laat in het theater en wie staat dan toch weer vroeg in de winkel? Wie verkoopt alles wat een normaal mens nodig heeft? Juist, de kruidenier, `alpha en omega van onze maatschappij'. Heeft u een kruidenier onder uw vrienden? Dan `zit u als een rat in de kaas'. En zo draaft Balzac nog even door, de kruidenier doodknuffelend met almaar meer vlijmscherpe ironie.

Façade

Onlangs trad uitgeverij La Decouverte in de voetsporen van zijn illustere voorganger en kwam met een vierdelige reeks portretten van de eenentwintigste eeuw. De aanpak is echter thematisch. De delen hebben als onderwerp `de politiek', `de seksualiteit', `het bedrijf' en `de straat'. Ieder thema werd toevertrouwd aan een Franse romancier of criticus, die de bijdragen van zijn collega-schrijvers verzamelde en een kort voorwoord schreef. Een algemene introductie waarin de tijdgeest van het begin van de eenentwintigste eeuw wat breder wordt geschetst, zoals Jules Janin dat 150 jaar geleden deed, ontbreekt helaas. Toch zeggen die korte voorwoordjes veel over wat de lezer in ieder deel te wachten staat. Romancier Arnaud Viviant, verantwoordelijk voor het deel over `het bedrijf', fulmineert tegen het `vampirische' woord `entreprise', dat alle andere aanduidingen voor `werk' heeft opgeslokt. Onze samenleving is taalkundig zo verarmd dat wat vroeger `kantoor' heette, `winkel' of `fabriek' tegenwoordig allemaal met die vlakke, verhullende term `bedrijf' aangeduid wordt. Achter die taalkundige façade, meent Viviant, schuilen nieuwe sociale misstanden: er is een nieuwe, onderbetaalde arbeidersklasse ontstaan in de tertiaire sector en mentale onderdrukking is in de plaats gekomen van lichamelijke afmatting.

De auteurs van de nieuwe reeks schreven geen echte portretten zoals hun collega's uit de negentiende eeuw, maar korte verhalen over een personage dat een bepaald beroep uitoefent. Wie de verhalen uit Het bedrijf leest, komt tot een eenduidige conclusie: wie werkt, komt per definitie terecht in een absurde, cynische, onpersoonlijke wereld, waar persoonlijke willekeur de dienst uitmaakt, geheimzinnige, onuitgesproken gedragsregels gelden en waar de werknemer de speelbal is van een vaak onzichtbare hiërarchie. Zo werkt de uitzendkracht uit het tragische en tegelijkertijd hilarische verhaal van Hélèna Villovitch steeds zo kort bij een bedrijf dat niemand meer de moeite neemt kennis met haar te maken, haar in te werken, laat staan van bureau-accessoires te voorzien. In een intellectueel en sociaal niemandsland typt ze rijen cijfers in op een inderhaast aangedragen computer. Ze slaagt er niet in haar collega's uit elkaar te houden: in het tl-licht lijken ze allemaal op elkaar en voordat ze de kans heeft gekregen met iemand contact te leggen, is haar contract alweer beëindigd.

Vergeleken met dit doembeeld zijn de ongemakken van de `werknemer' uit de negentiende eeuw te verwaarlozen. Hoewel de ambtenaar destijds, in de woorden van de schrijver Paul Duval, zonder twijfel `de meest beklagenswaardige en getourmenteerde functie bekleedt die er bestaat', onderscheidt de auteur niet zonder humor verschillende typen, zoals de `bibberaar', die dertig jaar dagelijks beeft uit angst dat hij te laat op kantoor zal komen, de `flâneur', die erin slaagt maar een uur per dag te werken, de `ingebeelde zieke' die zich decennia lang inbeeldt een ongeneeslijke ziekte onder de leden te hebben en dus veel verzuimt en de `vleier' die carrière maakt door zijn collega's te bespioneren.

Nee, dan het professionele pathos en het zelfrespect van de negentiende-eeuwse `kantoorbediende'. Dat was dan wel een functie waarin men belandde na een carrière van twaalf ambachten en dertien ongelukken, maar desalniettemin was het een baan waarop men trots was, schrijft J.V. Billioux in de negentiende-eeuwse versie van Les français peints par eux-mêmes. De `kantoorbediende' was een moeilijk te verwerven functie, waarvoor veel aanbevelingen nodig waren, maar had men hem eenmaal verworven, dat kon men zijn leven lang genieten van een mooi pensioen. Was hij eenmaal ingewerkt en opgeklommen tot bijvoorbeeld het kabinet van een minister, dan wist hij zich waarlijk belangrijk: hij kon bepalen wie er toegang kreeg tot de macht en wie niet.

Ook in de verhalen die journaliste Christine Ferniot verzamelde, blijkt de eenentwintigste eeuw grimmiger te zijn dan de negentiende. In de korte verhalen in het deel gewijd aan `de straat' viert het zwartste pessimisme hoogtij. Vooral in het straatbeeld, schrijft Ferniot, zie je hoezeer de wereld in een paar eeuwen is veranderd. `De scharen- en messensliep is vervangen door de dealer, en de viooltjesverkoopster is nu een Pakistaan.' De peepshowdanseres heeft zich getraind in het vermogen elders te zijn met haar gedachten en de straatzanger heeft al zoveel ellende meegemaakt dat hij alleen nog maar de blues kan zingen. De vrouwelijke postbode uit de eenentwintigste eeuw wordt naar binnen gelokt, vastgehouden en half aangerand, terwijl de `SDF'(sans domicile fixe, de persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats) in de goot leeft, aan de drank is en in elkaar wordt geslagen tot hij bezwijkt. En waar is de pendant van de door Jules Janin bezongen `straatjongen', de jongeman die vroeg uit de veren de straat afschuimt, fris en leergierig uit zijn ogen kijkt, op de mooiste plekken in de stad rondhangt en de wereld aan zijn voeten heeft? Uitgestorven, zo blijkt uit het ontbreken van zijn evenknie in de portrettenreeks van de eenentwintigste eeuw.

Tot slot `de seksualiteit', het domein dat in deze eeuw zonder gêne in de literaire uitstalkast ligt. In zijn introductie schrijft Emmanuel Pierrat dat omstreeks 1840 de overspelige bourgeoise en de prostituee behoorden tot het toppunt van wellust en losbandigheid. Expliciete portretten van zowel de één als de ander ontbreken in de negentiende-eeuwse uitgave. De vrouwenportretten die er wel in voorkomen, en die in bedekte termen verwijzen naar lichamelijke liefde, zijn zonder uitzondering liefdevol en met respect geschreven: als Jules Janin schrijft over `het naaistertje', bezingt hij haar als `jong, vrolijk, fris, fijntjes, rap en met weinig tevreden'. Hij roemt haar charme, haar werkkracht, haar moed en haar generositeit en betreurt de manier waarop studenten van goede komaf het meisje het hof maken, van haar charmes gebruik maken tot op het moment waarop zij een goed huwelijk willen sluiten: dan laten zij haar vallen, waarna zij haar heil zoekt in de armen van een bruut van lage komaf en een serie kinderen op de wereld zet.

Uitspattingen

Die wereldlijke, negentiende-eeuwse misère valt echter in het niet bij de nachtelijke seksuele uitspattingen in onze eeuw: seksualiteit is handel geworden, een product dat via internet naar believen in huis kan worden gehaald. Met enige verbazing concludeert Pierrat, dat de teksten rond zijn thema – sm-praktijken, homo-, bi- en transseksuele relaties – vooral getuigen van `de overwinning van de seksuele vrijheid' en `een lawine van pornografie'.

Zouden de samenstellers van de vier recente delen van Les français peints par eux-mêmes zich net zo serieus en bezorgd hebben afgevraagd hoe toekomstige generaties tegen `hun' eeuw zouden aankijken als hun negentiende-eeuwse vakbroeders? Vast niet: hun korte verhalen zijn goed geschreven en soms virtuoze vingeroefeningen voor een volgende grote roman, maar het zijn geen portretten geschreven voor de eeuwigheid.

Die van hun collega's van 150 jaar geleden, nauwgezet en omzichtig neergeschreven, zijn nog steeds uitstekend leesbaar. Leon Curmer is geslaagd in zijn opzet: het panorama dat hij voor latere generaties, voor ons dus, in gedachten had, heeft de eerste eeuwen succesvol doorstaan. Of we de tweede, recente reeks een vergelijkbaar lot moeten toewensen, is de vraag. Dan denkt men over honderdvijftig jaar dat het Frankrijk van deze eeuw louter werd bevolkt door gefrustreerde loonslaven, schuimende schooiers, seksfanaten en lusteloze verliezers.

Léon Curmer en Jules Janin (red.): Les Français peints par eux-mêmes. Encyclopedie morale du XIXe siècle. La Découverte, 1173 blz. €26,– Christine Ferniot e.a. (red.): Les Français peints par eux-mêmes. La rue door Christine Ferniot, 173 blz. La politique door François Salvaing, 159 blz. L'entreprise door Arnaux Vivian, 147 blz. Le sexe door Emmanuel Pierrat, 136 blz. La Découverte. Prijs per deel €13,–