Drastische ontgrijzing

De Nederlandse symfonieorkesten hebben een bezadigd imago. Maar aan een aantal lessenaars zitten extreem jonge musici.

Veel Nederlandse symfonieorkesten wacht de komende tijd een ingrijpende verjonging. Musici die zijn geboren rond de oorlog gaan met pensioen, en voor de leeggekomen plaatsen wordt extreem jong toptalent geworven. Op latere leeftijd promoveren van tutti-speler tot aanvoerder van een groep is ongebruikelijk. Slechts in uitzonderlijke gevallen zijn nieuw te werven musici ouder dan veertig.

Voor symfonieorkesten zijn jonge orkestmusici belangrijk. ,,Jonge musici stellen vragen die voor ervarener collega's geen vragen meer zijn. Dat houdt iedereen wakker'', zegt Otto Tausk, assistent-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. ,,Ouderen hebben ervaring, maar jongeren frisse oren.''

Wie rondkijkt bij de verschillende Nederlandse orkesten, signaleert dat Tausks visie niet uitzonderlijk is. ,,Ook ons orkest staat voor ingrijpende veranderingen in de bezetting'', zegt Sjoerd van den Berg, adjunct-directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest. Alleen al deze week begonnen daar een nieuwe klarinettist, Arno Piters (23), en een nieuwe hoornist, Fons Verspaandonk (28), die – zoals veel koperblazers – zijn eerste noten blies in de plaatselijke harmonie. Maar er volgen er meer. Binnen nu en anderhalf jaar gaan in Amsterdam de solohoboïsten Werner Herbers en Jan Spronk en fluitist Paul Verhey met pensioen. Diens collega Rien de Reede is al opgevolgd door Herman van Kogelenberg (24). Soloklarinettist George Pieterson wordt deze zomer opgevolgd door Arno Stoffelsma (21), en ook binnen de cellogroep volgt zeer binnenkort drastische ontgrijzing.

,,Het zijn veel veranderingen in korte tijd, maar dat is geen probleem'', zegt Van den Berg. ,,In zijn 115-jarige geschiedenis heeft het Concertgebouworkest altijd uit waanzinnig goede musici bestaan. Ook nu zijn er gelukkig volop hypergetalenteerde jonge musici beschikbaar.''

Ook het Rotterdams Philharmonisch Orkest heeft de laatste tijd opvallend veel jonge musici aangetrokken. Hoboïst Aleksei Ogrintchouk (25) was bij zijn komst in 1999 niet alleen de allerjongste, maar is door zijn uitzonderlijke solistische elan bovendien de opvallendste. Waar andere hoboïsten hun instrument zelfs in de expressiefste passages nooit boven de lessenaar laten uitkomen, steekt Ogrintchouk zijn hobo met de mimiek van een straatmuzikant trompetsgewijs de zaal in. ,,Dat is geen brutaliteit of show, hoor'', zegt hij. ,,Als ik mezelf toesta de muziek te volgen, kan ik niet anders.''

Al doende was het in Berlioz' Roméo et Juliette (Gergjev Festival, 2002) Ogrintchouk die voor zijn stromende verklanking van de eenzame Romeo werd onthaald op luide ovaties. En in een uitvoering van Berlioz' L'Enfance du Christ was het opnieuw Ogrintchouks spel dat hypnotiseerde als dat van een slangenbezweerder.

Alexei Ogrintchouk begon als 9-jarige met hobolessen in zijn geboortestad Moskou. Hij speelde tussen zijn twaalfde en zestiende al drie concerten per week, en kreeg op zijn zestiende een Franse studiebeurs voor het Conservatoire National in Parijs. In 1999 verruilde hij Parijs met een stapeltje `premiers prix' (hobo solo, kamermuziek) op zak voor Rotterdam. Op een leeftijd (20) die zelfs de vlotste Nederlandse muziekstudenten doorgaans nog binnen de dikke muren van het conservatorium doorbrengen.

,,Dit is mijn eerste orkestbaan'', zegt Ogrintchouk. ,,Het Rotterdams Philharmonisch Orkest heeft internationaal een goede naam, en dat Valery Gergjev hier chef-dirigent is, trok me natuurlijk ook. Toen de plaats voor solohoboïst vrijkwam, heb ik dus voorgespeeld. Achter een scherm, zoals iedereen in de eerste auditierondes. De sollicitatiecommissie kan dan een oordeel vellen zonder dat geslacht of leeftijd ertoe doen. In mijn geval maakte dat overigens nog niet zoveel uit; het orkest wilde me sowieso graag hebben, hoorde ik later. Maar de mentaliteit ten opzichte van jonge musici verschilt sterk per orkest. Niet overal is men even bereid te investeren in getalenteerde maar onervaren musici. Hier in Rotterdam is de jonge aanwas pas in de laatste jaren enorm toegenomen. In mijn eerste jaar was ik als enige echt jong, nu speelt hier een hele club twintigers.''

Opperste goed

Veel musici begonnen hun vakstudie met de droom solist te worden. In het opbouwen van een solocarrière slagen in de praktijk slechts enkelen. Maar ook een baan bij toporkesten als het Rotterdams Philharmonisch Orkest of het Concertgebouworkest – al dan niet gecombineerd met lesgeven en kamermuziek – is alleen voor de besten weggelegd.

Voor Petra Visser (27), met ingang van dit seizoen eerste violiste in het Rotterdams Philharmonisch Orkest, was een orkestbaan altijd al het opperste goed. ,,Mijn vroegere vioollerares was orkestmusicus'', vertelt ze. ,,Ik bezocht al haar concerten en wist dat ik later ook in een orkest wilde spelen. Een solistenbestaan heeft me nooit getrokken. Ik houd er niet van op de voorgrond te treden. Een vriendin van me heeft als een van de zeer weinigen wél een solobestaan opgebouwd, en reist nu de hele wereld rond. Ik bewonder dat ontzettend, maar zelf zou ik het niet kunnen. En als ik eerlijk ben – ook niet willen.''

Zelfs voor jonge musici die van meet af aan te realistisch waren voor dromen over een solocarrière, ligt de keuze voor een vaste baan direct na het afstuderen niet altijd voor de hand. Het is verleidelijk nog een paar jaar in de luwte te blijven. Kamermuziek maken, doorstuderen, masterclasses volgen en invallen bij allerlei orkesten. Met een orkestbaan houdt die vrijheid op.

,,Dat was precies de reden dat ik niet meteen heb gesolliciteerd toen hier een plaats vrijkwam'', zegt Bram van Sambeek (23), sinds augustus 2002 solofagottist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. ,,Als schnabbelaar had ik aan den lijve ondervonden hoe zwaar een orkestbaan is, en hoeveel tijd erin gaat zitten. Maar na een half jaar hard studeren heb ik toch voorgespeeld. Het was een te mooie kans om te laten liggen; een baan als deze blijft levenslang uitdagend. En de aantrekkingskracht van het solorepertoire is voor een fagottist ook maar beperkt. Er is zoveel troep gecomponeerd. Hier krijg ik elke week muziek van hoge klasse voorgeschoteld en groeit mijn solistische kant op een andere manier. Het `schools' studeren is meer een ontwikkeling vanuit de praktijk geworden. En de andere kant is dat ik door deze baan ook juist meer voor solo-optredens en kamermuziek wordt gevraagd.''

Ook hoboïst Alexei Ogrintchouk ontdekte gaandeweg dat hij zonder orkestbaan te veel interessant symfonisch repertoire zou mislopen. ,,Doordat ik als kind in Rusland voortdurend op het concertpodium stond, ben ik dol op solospelen en kamermuziek'', zegt hij. ,,Ik zou dat nooit opgeven. Maar na vijf jaar in dit orkest weet ik dat het orkestspel net zo onmisbaar is voor mijn ontwikkeling. Dus probeer ik alles te combineren. Ik geef les aan de Royal Academy of Music in Londen en in Rotterdam, neem soloprojecten aan als ik het gevoel heb dat ze me artistiek verder brengen en heb – als belangrijkste onderdeel – mijn baan in het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Die activiteiten bijten elkaar niet, ze versterken elkaar.''

,,Op het conservatorium denken de meeste mensen dat een fulltime orkestbaan aannemen hetzelfde is als jezelf levend begraven'', lacht Anne Melse (30), altvioliste in het Rotterdams Philharmonisch. ,,Als tutti-strijker ben je maar één klein deel van het geheel, dus waar heb je dan al die jaren voor gestudeerd? Zelf zie ik het niet zo. Je kunt altijd minder uren gaan werken en meer kamermuziek gaan spelen, of een lesbaan erbij nemen. Spelen in een orkest is een droombaan, mits je je thuis voelt in de groep. Voor ik hier kwam, heb ik ingevallen bij verschillende orkesten. Het Rotterdams Philharmonisch sprak me het meest aan. Als Gergjev hier dirigeert zijn we net een groep jonge honden. Iedereen, jong of oud, is dan extreem enthousiast en alert. Ik hou van die sfeer.''

Opvallend genoeg worden de `onstuimigheid' en de `dynamiek' van het Rotterdams Philharmonisch Orkest door vrijwel alle musici genoemd als doorslaggevend voordeel. ,,In dit orkest wordt veel van je verwacht. Om geaccepteerd te worden moet je zeker zijn van jezelf, initiatief durven tonen'', vindt fagottist Van Sambeek. ,,Bij het Concertgebouworkest worden in verhouding meer jonge mensen aangenomen. Men is daar heel actief bezig met het leerproces, waarin de ouderen de jongeren meetrekken. Hier moet je gewoon spelen en worden de technieken standaard van je verwacht. Dat is zwaar, zeker voor een jong iemand. Maar er staat veel tegenover. Dit orkest is in geen enkel opzicht gezapig. Ik mag als soloblazer ontzettend ver gaan in mijn individuele expressie. Dat maakt de speelcultuur in Rotterdam uniek.''

Omgekeerd is ook het Rotterdams Philharmonisch Orkest trots op zijn jonge musici, die de kans krijgen te soleren en in festivalverband hun behoefte aan kamermuziek te bevredigen. Zo soleerde altvioliste Anne Huser (27) vorige week met indrukwekkend ronkende en sonore toon in Strauss' Don Quixote. En in datzelfde concert waren het voor de pauze Ogrintchouk en Van Sambeek die de aandacht trokken in Strauss' Serenade voor blazers in Es.

Van Sambeek nam het concert op op mini-disc, vertelt hij. Niet alleen omdat hij zelf een prominente partij meeblies, maar ook om te horen hoe zijn spel klonk in de zaal. ,,Ik leg vrijwel alle concerten en generale repetities vast'', zegt hij. ,,Het is een vorm van zelfstudie. Fagot is een raar instrument; je moet je in allerlei bochten wringen om hem te laten spreken. Klarinet, hobo en fluit klinken vanzelf helder, maar als je op een fagot een briljante klank nastreeft, wordt het klinkend resultaat snel lelijk. Het is de kunst een middenweg te vinden tussen een mooie klank en je verstaanbaar maken. Dat is lastig. Ik ben er zelf nog niet helemaal uit.''

Inzepen

Soms net zo jong, soms iets ouder dan de nieuwe orkestmusici zijn de assistent-dirigenten die Nederland sinds enige jaren weer rijk is. Bij het Radio Filharmonisch Orkest is Benjamin Wallfisch (24) assistent van chef-dirigent Edo de Waart. En in Rotterdam werkt Otto Tausk (33) – ,,dus echt niet meer jong'' – als assistent.

Tausk, van huis uit violist, werd als enige jonge Nederlandse dirigent geselecteerd voor masterclasses van de Rotterdamse chef-dirigent Valery Gergjev. In augustus begon hij als diens assistent. Hij `zeept' het Rotterdamse orkest `in' wanneer Gergjev pas op de dag van het concert arriveert, bereidt alle programma's voor, speelt voor publiek om de `echte' dirigent te adviseren over het klinkend resultaat in de zaal en leidt repetities. ,,Uren houd ik maar niet bij'', lacht hij. ,,Assistent zijn is ontzettend zwaar en ontzettend leerzaam. Door alle programma's mee te maken en te studeren maak ik veel vlieguren, en alleen op die manier kun je dit vak leren. Zien hoe ervaren dirigenten werken, zelf dingen uitproberen. Maar wel allemaal in de luwte. Het publiek ziet mij alleen aan het werk als Valery Gergjev of Edo de Waart een foute mossel hebben gegeten. Daarop moet ik steeds voorbereid zijn.''

Een dergelijke kans deed zich in januari nog voor. Dirigent David Zinman werd ziek en invaller Valery Gergjev óók, zodat het concert met Tsjaikovski's Vijfde symfonie toeviel aan Tausk. De diepgang die hij in die uitvoering realiseerde maakt des te meer indruk als je weet dat Tausk altijd en overal aanwezig dient te zijn, en dus nauwelijks tijd heeft om een eigen visie op de te studeren stukken te ontwikkelen. ,,Je moet als assistent zoveel doen, dat je leert praktisch te zijn, en dus geen tijd hebt voor verdieping'', erkent hij. ,,Dat is jammer, maar het weegt niet op tegen de goede kanten van het assistentschap. Diep in de muziek duiken komt later wel.''

Voor jonge musici is het werken met een jonge dirigent bijzonder. Even is er geen sprake meer van de generatieverschillen die in de dagelijkse praktijk zo vanzelfsprekend zijn, dat ze er soms maar liever niet aan denken. ,,Natuurlijk is het gek dat iemand als klarinettist Sjef Douwes van de ene week op de andere van je leraar je collega wordt'', zegt fagottist Van Sambeek. ,,Het is nog wel erg kort geleden dat hij op school op mij en mijn collega-fagottist Joost Bosdijk liep te vitten als we aan het keten waren. Nu zitten we als volwaardige collega's naast hem. En keten nog steeds, maar dan met hem.

,,Jong zijn in een orkest is geen wezenlijk probleem. Maar voor ons is het werken met een jonge dirigent als Otto Tausk wel extra leuk, omdat hij het levende bewijs is dat leeftijd en natuurlijke autoriteit helemaal niets met elkaar te maken hebben. Otto is jong, meet zich geen houding aan en krijgt gedaan wat hij wil.''

Dat leeftijd voor een orkestmusicus nauwelijks een rol speelt, vinden alle jonge musici. Altvioliste Anne Melse (30) behoort in het Rotterdams Philharmonisch Orkest tot de `oudere jongeren'. ,,Het maakt wel verschil of je 23 bent of 30'', nuanceert zij. ,,Maar dat is vooral een kwestie van ervaring.''

Violiste Petra Visser: ,,Toen ik hier drie jaar geleden inviel, was ik een en al bewondering en onzekerheid. Nu hoor ik er gewoon bij, en kan ik het ook met oudere collega's prima vinden. Zelfs buiten werktijd.''

Contrabassist Matthew Midgley (26): ,,Misschien speelt het leeftijdsprobleem wel zo weinig omdat musici sowieso opener en socialer zijn dan de meeste mensen. Anders kies je dit vak toch niet?''

Salaris

In het Nederlandse orkestenbestel liggen de salarissen laag in verhouding tot het buitenland en orkesten vrezen jong toptalent te verliezen aan concurrerende buitenlandse orkesten. Maar in de praktijk ligt dat anders. ,,Geld is geen overweging'', vindt fagottist Bram van Sambeek. ,,Ik ben 23, woon in een studentenkamer en in plaats van een gezin hoef ik alleen twee katten te onderhouden. Bovendien bevalt de Nederlandse orkestcultuur me. Nederlandse blazers spelen tomeloos expressief, een beetje alsof ze zingen. Van de musici die die traditie vorm hebben gegeven, heb ik les gehad. Nu kies ik ervoor zelf een schakel te zijn in die traditie.''

Voor de in Londen opgeleide Matthew Midgley, plaatsvervangend aanvoerder van de contrabasgroep, waren de Nederlandse werkomstandigheden zelfs de voornaamste reden om in Rotterdam werk te zoeken. ,,Nederlanders zien het niet altijd zo, maar je hebt hier als orkestmusicus met een vaste baan een ontzettend goed leven met veel vrije tijd'', vindt hij. ,,In een gemiddeld Londens orkest moet je veel harder werken. In Groot-Brittanië bestaat voor klassieke muziek nog minder belangstelling en nog minder overheidssteun, zodat orkesten moeten beulen om te overleven. Het is me daar overkomen dat ik een bladzijde muziek tijdens een concert voor het eerst zag. Dat is toch geen muziek maken? Hier gaan vijf repetities vooraf aan een concert, waardoor je dan ook lekker kunt spelen.''

Ook solo-altvioliste Anne Huser (27) denkt er niet aan terug te keren naar haar geboorteland Zwitserland waar zij drie keer meer zou verdienen. ,,De sfeer in dit orkest is veel opener dan bij Zwitserse orkesten en het speelniveau ligt veel hoger. Wie denkt er dan aan geld? Ik houd de toekomst open, maar ik voel me hier erg thuis. Natuurlijk is het een raar idee dat ik, als ik hier zou blijven tot mijn pensioen, nog veertig jaar in dit orkest kan spelen. Maar zo denk ik nooit. Ik leef nu.''

`Ouderen hebben ervaring,

jongeren frisse oren'

`Otto Tausk is jong, maar

hij krijgt gedaan wat hij wil'