De lente ligt in stukken

Hij wordt beschouwd als een van onze grootste dichters: J.H. Leopold. Maar het duurde lang voordat ik enigszins tot zijn werk wist door te dringen. Als ik het opsloeg, zag ik vooral heel veel getalm en omhaal en omslachtigheid. Leopold zelf zou zeggen: een talmen, een veel in omhaal en in omslag zijn. Een niet opschieten waar ik ongeduldig van werd. En ook wel, eerlijk gezegd, een kwezelen, en `vochte oogen' en teer lispelen en kwijnen en `in een kalm teemen / lief-langzaam in een tragen zang klagend' zijn. Het werd pas wat toen ik zijn bewerkingen van oosterse poëzie leerde kennen, vaak net wat robuuster en ruiger van karakter dan de teêr-fijne sensitivistische stemmingslyriek waarmee zijn verzameld werk begon. Via de oosterse omweg kreeg ik alsnog oog, en enig gevoel, voor de finesses van zijn eigen taal.

Maar vanzelf is het niet gegaan. Dan las ik weer `'t Getij liet uit den mantel zijn', eerste regel van een titelloos gedicht. Het zou verboden moeten worden een gedicht te beginnen met `'t Ge'. Onuitspreekbaar keelgeschraap, alleen maar om aan een metrisch voorschrift te voldoen. En dan: wat wilde Leopold precies zeggen met zijn rare zinsconstructie? Bij het getij denk je aan eb en vloed, en die lieten iets zijn, en dat dan `uit den mantel'. Het zag eruit als een vaste uitdrukking (onder de pet, voor de hand, uit de mantel), maar daarmee was het nog geen begrijpelijke zin. Jaren later hoorde ik dat `zijn' hier geen werkwoord was, maar een achteropgeplaatst bezittelijk voornaamwoord. `Den mantel zijn' was Leopoldiaans voor `zijn mantel'. En het getij bleek niets met zeestromingen te maken te hebben, maar met het jaargetijde. De zin zag er nog steeds erg gewrocht uit, maar hier stond dus dat het jaargetijde zijn mantel uit had gelaten.

Nu kon het vervolg misschien ook van enige zin worden voorzien: `'t Getij liet uit den mantel zijn / van wind en strenge kou en regen / en heeft een luchten zwier gekregen / van helderlichten zonneschijn.' We bevinden ons aan het begin van de lente. Het jaargetijde heeft zijn dikke winterjas (zijn jas van wind en strenge kou en regen) afgelegd en is nu in luchtig en zwierig lente-tenue naar buiten gegaan. Iedereen zal de scène wel voor zich zien: winter voorbij, lente begonnen, knoppen aan de bomen, het eerste groen, zonnetje schijnt. Maar eigenlijk klopt de beeldspraak niet helemaal. Strikt genomen kunnen jaargetijden niet elkaars gedaante aannemen; ze kunnen elkaar alleen aflossen. We komen hier op het boeiende terrein van de fundamentele weerkunde, waar vragen worden besproken als: van wie is het weer eigenlijk, bij wie zijn de seizoenen in dienst en wat vinden de temperaturen er zelf eigenlijk van? Erwin Krol wekt altijd de indruk dat het weer een meneer is, en dat de seizoenen met een eigen agenda op zak rondlopen (`zaterdag zet de winter zich nog even schrap en gaat een nieuwe aanval doen op de dooi, maar in de loop van zondag gaat de lente zich van zijn beste kant laten zien'), en zo is het bij Leopold ook een beetje. Je zou eigenlijk moeten spreken van een boven de seizoenen staande instantie, die zich achtereenvolgens in winterjas, lentetooi, zomerpak en herfstkleding hult. Hoe noem je die? De heer der getijden? De natuur? De tijd? Het weer? Het jaar?

Het gedicht van Leopold is een bewerking van een gedicht van Charles d'Orléans (1394-1465). Het begint zo: `Le temps a laissié son manteau / de vent, de froidure et de pluye'. `Het getij' is dus de onhandige vertaling van het franse `le temps'. Daarmee kan de tijd bedoeld zijn, maar ook het weer – en zo wordt het in de meeste vertalingen van dit gedicht ook opgevat. Het bezwaar tegen de onhandige regel van Leopold is des te groter omdat het gedicht een rondeel is: de rare beginregel keert in het midden, in de zevende regel, terug, en aan het eind, in de dertiende regel, nog een keer, helaas. Ook in de rest van het lied koos Leopold voor gekunstelde oplossingen, met woorden als `vogelijn', `springfontein', `staatsie' en `saamgeregen', waardoor zijn gedicht tot het einde een moeizaam geval blijft.

Dat de tekst van Charles d'Orléans vooral een vrolijk en eenvoudig liedje was drong pas tot me door toen ik het in de vertaling van Willem Wilmink las. Daarin is `le temps' `het jaar' geworden: `Het jaar heeft zijn jas niet meer aan / van regen en vrieswind en kou, / en is in het luchtigste blauw / vanochtend naar buiten gegaan.' De charme van het beeld dient zich hier meteen aan: het jaar wandelt naar buiten, en daar blijkt ook de natuur zich in nieuwe kleren te hebben gestoken. `De vogeltjes fluiten en slaan, / ze hebben een boodschap voor jou: / het jaar heeft zijn jas niet meer aan! // En zeg eens, hoe vind je dat staan: / fonteinen met sluiers van dauw / en beekjes met zilveren mouw? / `t Heeft alles wat nieuws aangedaan: / het jaar heeft zijn jas niet meer aan.' Zo was het taaie getij-wrochtsel van Leopold ineens een vrolijk voorjaarsliedje geworden. Je zou het haast van al te veel cliché gaan betichten, maar vermoedelijk is het historisch juister om aan te nemen dat dit rondeel zelf de bron voor veel latere lenteliederen is geweest. Je zou het ook van al te veel poezelige onschuld kunnen betichten: het is niet veel meer dan een dansje in de lente. Vermoedelijk dacht Hugo Claus dat ook toen hij dit lied quasi onopvallend opnam in zijn lange verhalende gedicht Het teken van de hamster (1963). `En weer legt het weer zijn jasje af / van wind en kou en regen / en komt ons in een gilet van taf / brokaat en zomer tegen', zo begint hij zijn vrije vertaling. Maar halverwege vlecht hij tussen de idyllische vreugden opeens een rauwe scène in. We bevinden ons in Angola. Daar worden `in het lieflijk rood van de zomer / honderd Angolezen in de grond gestopt / tot aan de nek, als tulpen waarover de lage / adem van de aarde waart. / Hun hoofden (tulpenkelken / of rozen te heetgebakerd) steken boven en leven.' Claus is vilein genoeg om eerst nog even de onschuldige refreinregel te herhalen (`Weer legt het weer zijn jasje af') alvorens de afloop te melden. `De bulldozer rijdt erover / en maakt het tulpenbed gelijk.' En dan mag, nog vileiner, het slot van het lenteliedje weer klinken, met het prijzen van het fraaie kleed van de natuur, alsof er niets gebeurd is. `Ieder kleedt zich in zijn Zondagspak.'

Rode bloemen, lente, tulpen toppen, tuinonderhoud, schoffelen: alles wat zo-even nog onschuldig was, is bezoedeld geraakt, door het simpel naast elkaar plaatsen van eeuwenoud lenterondeel en recente oorlogsmisdaad. Gruwelijke gebeurtenis, schokkend contrast, vermoorde onschuld. Hier passen verder geen woorden meer. De lente ligt in stukken.