De kerk is mieters

Ze zaten er al een tijdje aan te komen: de reisdagboeken van J.J. Voskuil. De trouwe lezers van zijn werk, Bij nader inzien en de zeven delen van Het Bureau, weten al het nodige van de weken durende wandeltochten die Voskuils hoofdpersoon Maarten Koning, al sinds hun huwelijksreis, met zijn vrouw Nicolien maakt. Maar tegelijkertijd kennen ze maar heel weinig details over deze vakanties. Groot was dan ook de vreugde toen uitgever Van Oorschot vijf jaar geleden bekend maakte dat hij met Voskuil in gesprek was over de uitgave van diens reisdagboeken. `Het gaat over vijftig reisdagboekjes die ik tussen 1957 en 1994 heb bijgehouden tijdens vakanties in Frankrijk, Nederland, Engeland en Ierland', aldus Voskuil zelf bij die gelegenheid. `Niet spectaculair. Het zijn kleine avonturen van niks die ieder mens tijdens z'n vakantie meemaakt. Onderweg maakte ik snelle, vluchtige observaties: van gekke mensen, eigenaardige hotels, beesten. Het zijn eigenlijk een soort schetsboekjes. We zijn nu aan het bekijken hoe we die te zijner tijd uitgeven. Je zou kunnen denken aan drie of vier delen.'

Daarvan is dan nu het eerste deel verschenen, over de voettochten van de Voskuils tussen 1957 en 1973 – voor een flink deel dezelfde periode waarin Het Bureau en de daarin aangestipte wandelingen zich afspelen. Niet toevallig komt dit boek uit tijdens de aan Frankrijk gewijde boekenweek, want de bestemming was gedurende deze jaren altijd dit bij vele wandelaars geliefde vakantieparadijs. Nauwgezet beschrijft Voskuil tien wandelingen, van dag tot dag, zoals van Brive naar Cahors in 1957, van Issoire naar Le Ouy in 1968 en van Bort les Orgues naar Florac in 1973. Wie zich niets kan voorstellen bij deze routes: geen probleem, kaartjes zijn bijgevoegd.

Ik kan me niet indenken dat deze, inderdaad onspectaculaire, vakantienotities de moeite waard zijn voor wie niet toch al een adept van Voskuils proza is. De fans van Het Bureau zullen ook dit willen oppeuzelen, voor zover zij de droge beschrijvingen van landschappen, ontmoetingen, logies, eten, echtelijke ruzies en ander ongemak met de ogen van de fictielezer blijven bekijken. Hoewel Voskuil zich in Terloops niet verschuilt achter zijn alter ego Maarten Koning en zijn vrouw niet Nicolien heet maar gewoon L. (van Lousje), blijf ik beiden als romanfiguren zien. En dan is het genieten.

Neem deze scène uit de eerste wandeling van 1957. Ze logeren in een hotel aan de Dordogne en onder het eten voert Voskuil een lang gesprek met de patron. `Hij heeft een fel, fascistisch gezicht en draagt een oranje trui met een open kraag.' Dit is Maarten Koning ten voeten uit, er bestaat niemand anders die mensen fascistische gezichten toedicht en zich daar omstandig aan gaat zittenergeren, zelfs tijdens een ontspannen vakantie. En als Voskuil naar zijn eigen gevoel de man te weinig weerwoord geeft, vindt hij zichzelf laf. `Ik voel me karakterloos'. Net als de gekwelde Maarten, die zich gedurende zijn kantooruren op het bureau om de haverklap `bedreigd' voelt.

Tijdens diezelfde wandelvakantie brengen ze een dag door in St. Léon, waar ze een kerk bereiken. We zijn dan helemaal terug in het studentikoze vocabulaire van Maarten en zijn vrienden in Bij nader inzien: `De kerk is mieters, met typische ronde bastions'.

Parijs en het Gare du Nord keren regelmatig in de beschrijvingen terug. Vaak vormde de Franse hoofdstad het begin en eindpunt van hun zwerftochten, niet altijd tot hun genoegen trouwens. In 1964 aan het begin van een wandelvakantie door de Haute Loire, de Ardèche en Lozère brengen ze een dag en een nacht door in Parijs. Ze eten in de Rue de Seine, drinken een kop koffie tegenover het Luxembourg en dan noteert Voskuil over de buurt die zeker toen nog het meest tot de verbeelding sprak van toeristen: `Het quartier Latin is eigenlijk rot. We gaan daar niet meer zitten.' In de `campagne' bevalt het de reizigers ook niet altijd even best, vooral als ze veroordeeld zijn tot een hotel dat hen niet zint worden ze chagrijnig: `we eindigen in een hotel aan de voet van de Gerbier de Jonc vol souvenirs, patsers en kapperbedienden.'

Voor het groeiende leger lange afstandswandelaars valt er niet veel te halen in Terloops. Vragen als: hoeveel kilo kan je meesjouwen, over wat voor uitrusting moet je beschikken en hoe vervoer je de stapels boeken die je nodig hebt als je weken onderweg bent, worden niet beantwoord. Het meest verbazingwekkend is in dit verband een ruzie tussen Voskuil en zijn vrouw over rugzakken. L. blijkt in 1973, als ze toch al een ervaren wandelaarster genoemd mag worden, bang te zijn dat ze geen 500 meter kan klimmen met een rugzak om. `Ik maak me kwaad', schrijft Voskuil, `en herinner haar eraan dat ik thuis, tot driemaal toe, heb voorgesteld om haar rugzak thuis te laten en dat ze dat niet heeft gewild. Dat heeft ze niet gewild, omdat we nu eenmaal een rugzak gekocht hebben, en als je een rugzak gekocht heb, laat je die niet thuis.' Nicolien ten voeten uit, heerlijk.

J.J. Voskuil: Terloops. Voettochten 1957-1973. Van Oorschot, 274 blz. €18,50