Boekenweek

De boekenweek is een instituut, de boekenweek heeft allure. Dat geldt ook voor het Boekenbal, en het is al heel lang zo. Hoe komt dat? Door de schrijvers. Ze komen en ze gaan, oude beroemdheden kunnen vervagen of zich met glans handhaven; nieuwe verschijnen en worden met ontluikende bewondering of giftige afgunst begroet. Iedereen die boeken schrijft moet op alles voorbereid zijn. Maar één kwaliteit gaat nooit verloren. Zo iemand heeft boeken geschreven, houdt zich in leven, wordt beroemd door nog meer boeken te schrijven. Die worden uitgegeven. Het eenmaal uitgegeven boek gaat nooit meer verloren. Dat heeft voor alle mensen die geen boeken schrijven iets geheimzinnigs, onbegrijpelijks, metafysisch. Zo'n schrijver willen ze wel eens met eigen ogen zien, aanraken, het bewijs van zijn aanraking bewaren, dat wil zeggen een boek van haar/hem laten signeren. Naar het naadje van de kous vragen.

Bij Barend & Van Dorp was woensdagavond Thomas Rosenboom. Eerbiedig ondervraagd, vooral door de anders zo felle Frits Barend, probeerde hij uit te leggen hoe hij schrijft en wanneer. Wat er dan in zijn lichaam en geest gebeurt, hoe hij zich achteraf voelt, dergelijke geheimen van de smid. Zijn antwoorden waren interessant. Als ik het goed heb begrepen is hij eerst gespannen, nerveus. Maar als hij eenmaal aan de slag is, voelt hij zijn lichaam niet meer. Zo heeft iedere schrijver zijn eigen methodiek ontwikkeld. Georges Simenon legde een stuk of tien geslepen potloden in het gelid voor hij aan de slag ging. Gerard Reve, toen hij nog Simon van het Reve heette, ging soms een plasje in de dakgoot doen. Harry Mulisch houdt na een manche te hebben afgelegd de beschreven pagina met gestrekte arm voor zich en controleert de aanblik. Honoré de Balzac dronk onafgebroken sterke koffie. En ik ken een schrijver die zich al scheppend juist met zeer slappe koffie overeind houdt.

Allemaal magie die het scheppen van het boek begeleidt. Het komt uit de hersenen, bereikt via de spieren van een arm en de vingers het schrijfgerei waardoor het zich tot woorden vormt, zinnen, hoofdstukken, het manuscript. Dat wordt gedrukt, bereikt de winkel, wordt door u gekocht. Dit hele proces is op zichzelf al een mirakel. U gaat lezen, en u begrijpt het.

En dan, éénmaal per jaar, komen die lui bij elkaar om feest te vieren. Dat komt op de televisie, in de krant. Voor een heksensabbat kan niet meer belangstelling bestaan. En omdat het boeken schrijven per slot van rekening niet kan veranderen – het blijft een lang stilzitten en niets anders doen dan pennen of tikken – zullen week en bal ook min of meer hetzelfde blijven. Leg de verslagen in de krant van twintig jaar geleden naast die van eergisteren. De namen, de gezichten, de deuntjes van de dansmuziek kunnen veranderen. Het wonder blijft.

Om me er nog eens van te overtuigen hoe het vroeger toe ging, sloeg ik Ter Braak op, zijn Journaal van het tweede gezicht, een verzameling korte stukjes geschreven tussen 1932 en 1934. Columns, zou je ze nu noemen. `Ter Braak!' riep iemand. `Maar die is toch onléésbaar geworden!' Probeer het zelf. De boekenweek noemt hij in deze column een poging `om de burger door middel van plakkaten en bezweringen te dwingen, iedere maand een boek aan te schaffen'. En dan trekt hij een vergelijking met de boekverbranding door de nazi's, die toen juist achter de rug was. Via enig snugger redeneren weet hij de week en de verbranding min of meer onder één noemer te brengen: die van het mystieke misverstand waarmee het boek omgeven is.

Nou nou, dacht ik. Dit gaat wel ver. Maar misschien had ik een ander stukje van hem gezocht, ook over de boekenweek. Wij in onze totaal verlichte tijd doen niet aan boekverbrandingen. Toen trof ik bij de post een uitdraai van een artikel uit The New York Times van 28 februari. Amerikaanse uitgevers maken zich bezorgd over de bemoeienissen van de regering. Manuscripten uit landen die op de zwarte lijst staan – zoals Iran en Cuba – mogen niet meer worden geredigeerd. Dat wordt als `handel met de vijand' beschouwd. Iedere schrijver heeft een redacteur van de uitgeverij nodig, om de onduidelijkheden, onvolmaaktheden die hem zelf zijn ontgaan, te verbeteren. Interpunctie te corrigeren. De redacteur is op z'n minst de steun van de schrijver, en niet zelden de toeverlaat, desnoods de psychiater. Door de redacteur zijn werk te verbieden tast de regering indirect het vrije woord aan. Tegen de aantasting van het vrije onderzoek hebben wetenschappelijke organisaties al geprotesteerd. Als het u interesseert, lees dan ook even de column van William Safire in de International Herald Tribune van afgelopen donderdag.

Ons westen is niet meer zo vrij als we denken. Ik mis dat vrolijke meisje bij Barend & Van Dorp dat na de reclame riep: `Wakker worden! Zijn jullie daar nog!'