De jeugd weet meer dan Cyrille Offermans denkt

De huidige leerling is niet hersenloos. Ook in het studiehuis wordt heel wat kennis overgedragen, meent Jos de Mul.

Afgelopen zaterdag brak Cyrille Offermans in de bijlage Opinie & Debat een lans voor eruditie en het klassieke Bildungsideaal. Samenhangende kennis van geschiedenis en cultuur is volgens hem geen luxe, maar onontbeerlijk voor een leefbare samenleving. Zonder innerlijk leven is volgens Offermans geen sociale fantasie, geen emotionele en geen creatieve intelligentie mogelijk. Alleen wanneer we onze binnenwereld cultiveren tot een archief van ,,oude, motiverende, zingevende verhalen'' zijn we in staat ook onze buitenwereld bewoonbaar te houden. Dat is een stelling waarmee iedereen wel kan instemmen.

Dat geldt echter niet voor het oude, cultuurpessimistische deuntje dat hij, met een beroep op Friedrich Nietzsche, George Steiner en Hans Magnus Enzensberger, daarmee verbindt. Offermans schetst een schrikbarend beeld van het hedendaagse onderwijs, waaruit dit vormingsideaal en dramatischer nog – ,,de geest zelf spoorloos verdwenen is''. Sinds de industriële revolutie is het volgens Offermans in rap tempo bergafwaarts gegaan met onze cultuur. Wat ons nu nog rest is een vulgaire wereld vol geestdodende soaps en gelukbelovende pseudo-informatie, waarin de binnenwereld volledig uitgewoond is geraakt en de burger is verworden tot een willoze databundel in ,,het wereldomspannende, steeds dichter wordende netwerk van verkeer-, informatie- en kapitaalstromen''.

Dat er nogal wat plat amusement over ons heen wordt gestort, zal ik niet graag ontkennen, maar het is de vraag of dat vroeger zoveel beter is geweest. Wanneer we terugkijken naar onze cultuurgeschiedenis, zien we voornamelijk de hoogtepunten, omdat veel van de waardeloze wanproducten uit het verleden gelukkig in de vergetelheid zijn verzonken. Offermans wekt bovendien de suggestie dat in de vrolijke feodale tijden iedere landarbeider, keukenmeid en stalknecht Ovidius reciterend aan het werk toog. In werkelijkheid is het door hem bejubelde vormingsideaal altijd het voorrecht van een kleine elite geweest. Zijn kroongetuige Nietzsche laat daarover geen misverstand bestaan. Volgens hem is de enige functie van een cultuur het voortbrengen van geniale individuen. Nu heb ik niets tegen genieën (zolang ze geen George Steiner heten), maar om met Nietzsche de rest van de mensheid als het afval van de geschiedenis te beschouwen, gaat me toch wat ver.

Gelukkig is het ook allemaal niet zo erg als Offermans schetst. In de negentiende en twintigste eeuw zijn, met de toename van de scholing, waardevolle cultuuruitingen juist steeds toegankelijker geworden voor steeds grotere groepen in de samenleving. En hoewel het huidige onderwijs, mede doordat daar in Nederland in vergelijking met het verleden en het buitenland steeds minder in wordt geïnvesteerd, met grote problemen kampt, is het beeld dat Offermans schetst van de hersenloos internet afstruinende leerling ,,waarover elke letterendocent hilarische verhalen kan vertellen'' een wel erg kortzichtige karikatuur. Ook in het studiehuis wordt nog heel wat samenhangende kennis van geschiedenis en cultuur overgedragen.

Natuurlijk kent ook het studiehuis zijn problemen. De grotere zelfstandigheid vraagt veel inzet en discipline van de leerlingen en door de grote nadruk op samenwerking is het probleem van de zogenaamde free riders, die anderen het werk laten opknappen, reëel. Maar de kwaliteit van de werkstukken die door leerlingen in het studiehuis worden geschreven, is vaak uitstekend en getuigt in ieder geval van heel wat meer inzicht dan de rijtjes jaartallen die in het verleden werden gereproduceerd. En ook met de Veronica-mentaliteit die Offermans de Nederlandse bevolking collectief toeschrijft, valt het in de praktijk wel mee. Er is in Nederland nooit zoveel literatuur gelezen als nu en als ik in Nijmegen naar het filmhuis Lux/Cinemariënburg ga, dan kan ik kiezen uit een hoogwaardig filmaanbod in niet minder dan negen zalen, die vrijwel dagelijks vol zitten.

Dat de aard van de cultuur mede door grotere toegankelijkheid van onderwijs verandert, staat evenwel buiten kijf. Niet iedereen gaat uit zijn dak bij de Matthäus Passion. Maar daarbij mag niet vergeten worden dat ook in de populaire cultuur naast de eeuwige pulp – veel te vinden is dat de binnenwereld op een zinvolle wijze meubileert en in staat stelt te reflecteren op het goede leven en een `bewoonbare buitenwereld'. Wie bijvoorbeeld de discussies over de Matrix filmtrilogie op internet heeft gevolgd, werd niet alleen getroffen door de grote veelheid aan scherpzinnige interpretaties en kritieken, maar ook door de geëngageerde politieke discussies die werden gevoerd over het beeld dat deze film schetst van het leven in een door informatietechnologieën beheerste wereld.

Misschien is het probleem waarmee Offermans worstelt wel voor een belangrijk deel gelegen in de opvoeders en docenten die zich vastklampen aan een achterhaalde hiërarchische tegenstelling tussen hoge en lage cultuur en daardoor de aansluiting verliezen bij wat waardevol is in de hedendaagse cultuur. In dat licht is het werk van Nietzsches tijdgenoot Dilthey misschien wel meer het bestuderen waard dan Offermans geestelijke inspirator. Net als Nietzsche maakte de filosoof, historicus en pedagoog Dilthey zich grote zorgen over de culturele gevolgen van de door een kapitalistische markteconomie voortgestuwde industrialisering en technologisering. Maar anders dan Nietzsche, die nostalgisch oproept de geniecultuur van de Grieken en de Renaissance te herstellen, pleit hij ervoor de cultuur zodanig te vernieuwen dat deze opnieuw in staat zou zijn de samenleving kritisch te reflecteren. Dat vereiste volgens hem ook een vernieuwing van de geesteswetenschappen die deze nieuwe cultuur moeten bewaren, interpreteren en overdragen op de jeugd.

Dat Diltheys pleidooi nog steeds actueel is, blijkt uit het onlangs door de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) uitgebrachte rapport `Geëngageerde geesteswetenschappen Perspectieven op cultuurverandering in een digitaliserend tijdperk'. De verkenningscommissie betoogt, geheel in lijn met dat pleidooi, dat de geesteswetenschappen drie samenhangende en complementaire taken hebben: 1. bewaren van historisch en cultureel erfgoed; 2. bijdragen aan het debat over actuele maatschappelijke thema's (genoemd worden: digitalisering, multiculturalisering en globalisering van de cultuur); en 3. kritische reflectie op de basale waarden die er in een democratische samenleving bestaan. De commissie concludeerde dat de geesteswetenschappen in Nederland de twee laatstgenoemde taken onvoldoende behartigen, terwijl daar bij ,,de jongste generaties studenten juist een ruime belangstelling voor bestaat''.

Offermans weerzin tegen de wanproducten van de door louter geldgewin gedreven vermaaksindustrie is goed te begrijpen en het gevaar dat deze industrie andersoortige cultuuruitingen overwoekert, is evident. En het feit dat de AWT in zijn adviesbrief aan de minister het genuanceerde rapport van de verkenningscommissie reduceerde tot een oproep aan de geesteswetenschappen om eindelijk eens wat nuttig economisch onderzoek te gaan verrichten een wel erg cynische newspeak-vertaling van het begrip maatschappelijk engagement geeft weinig reden te hopen dat de verantwoordelijke minister dat rapport zal aangrijpen om dat gevaar te keren. Maar dat mag culturele opvoeders en docenten er niet van ontslaan ook hun eigen rol in die ontwikkeling kritisch te beschouwen en zich af te vragen of zij zelf wel voldoende bijdragen aan de interpretatie van de hedendaagse cultuur en daarmee aan het scheppen van nieuwe motiverende en zingevende verhalen. Het behoort tot de professionele taak van de kritische geesteswetenschapper de balken in andermans ogen aan te wijzen, maar dat betekent natuurlijk niet dat hij blind mag blijven voor de splinters in zijn eigen oog.

Jos de Mul is hoogleraar Filosofie van Mens en Cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Deze maand verscheen zijn boek `The Tragedy of Finitude. Diltheys Hermeneutics of Life'.

www.nrc.nl/opinie: Artikel van Cyrille Offermans.