Alarmfase rood

Minister Brinkhorst is de laatste liberaal van het kabinet en hij geldt als een kampioen van de Europese gedachte. Maar er is niets Europees en niets liberaals aan de plannen die hij heeft voor de Nederlandse energiesector. Als Brinkhorst doorzet en de Tweede Kamer hem steunt, worden de energiebedrijven opgesplitst en blijft het belangrijkste deel in overheidshanden. Dat is juridisch aanvechtbaar, druist in tegen wat in Europa gebeurt en holt de financiële positie van de energiebedrijven uit. De zekerheid van betrouwbare en betaalbare energielevering aan de consumenten wordt er niet mee gediend.

Anderhalve week geleden joeg Gertjan Lankhorst, directeurgeneraal Energie van het ministerie van Economische Zaken, de verzamelde directeuren van de energiebedrijven de stuipen op het lijf. Op een besloten bijeenkomst kondigde Lankhorst namens Brinkhorst (,,De minister heeft deze aanpak stevig in zijn hoofd'') aan dat de energiebedrijven gesplitst zullen worden in een leverings- en een netwerkbedrijf en dat de eventuele privatisering van de netwerkbedrijven op zijn vroegst in 2009 mag plaatsvinden. Twee dagen later krabbelde Brinkhorst enigszins terug. Het voorstel, zei hij op een andere besloten bijeenkomst, was nog niet in het kabinet besproken. Maar zoveel is duidelijk: de politieke windvaan wijst naar publiek bezit van de netwerken en de energiebedrijven zijn allesbehalve gerust op een goede afloop.

De energiesector is bezig met een ingrijpend proces van schaalvergroting. Vroeger zorgde het Gemeentelijke Energie Bedrijf voor gas en licht, op last van de Brusselse regelgeving en door marktwerking ontstaan er in snel tempo energieconglomeraten die opereren op Europese schaal. Dit zijn geprivatiseerde, geïntegreerde, kapitaalkrachtige bedrijven met een grote nationale thuismarkt. Daar staat straks in Nederland een versnipperde, uitgeholde en verzwakte sector tegenover waarvan het waardevolste onderdeel in overheidshanden is.

Er dreigt in de energiesector hetzelfde te gebeuren als op het spoor: de splitsing van infrastructuur en vervoer. Voor de energiebedrijven betekent dit niet alleen een afwijkend bedrijfsmodel in vergelijking met de rest van Europa, zo'n ontvlechtingsoperatie kost ook veel tijd en geld. Met liberalisatie van de energiemarkt voor particulieren per 1 juli zitten de bedrijven daar niet op te wachten.

Energiebedrijven bestaan uit een onderdeel dat energie opwekt (productie), rekeningen naar de klanten verstuurt (levering) en de kabels en pijpen beheert (netwerk). De productiebedrijven zijn inmiddels afgesplitst, juridisch zijn de leverings- en netwerkbedrijven op grond van de EU-regelgeving gescheiden. De aandelen van die bedrijven – Eneco, Essent, Nuon, Delta en wat kleintjes – zijn in handen van lokale overheden, maar die willen er van af. Een meerderheid in de Kamer wil dat de netwerken publiek bezit blijven en heeft geen probleem met de verkoop van de leveringsbedrijven. De Algemene Energieraad heeft onlangs opgeroepen geen haast te maken met de privatisering van de energiebedrijven als dat op een complete splitsing zou uitdraaien. Brinkhorst lijkt dit advies te negeren nu hij in zijn standpunt een draai van 180 graden heeft gemaakt.

Aanhangers van de collectieve sector – en die zitten in Nederland bij bijna alle politieke partijen – prijzen netwerken in overheidsbezit aan als de beste manier om het publieke belang in de energievoorziening veilig te stellen. Was het maar waar. Ten eerste willen de huidige aandeelhouders, de lagere overheden, er van af omdat ze in de structuurvennootschappen niets te vertellen hebben. Wie gaat hun aandelen kopen? Het staatsbedrijf voor het hoogspanningsnet TenneT zou dat kunnen doen, maar wie gaat het financieren? De gemeenten en provincies willen namelijk geld zien. Op een extra uitgave van vele miljarden zit minister Zalm (Financiën) niet te wachten. Ten tweede moet de overheid dan ook voor investeringen in onderhoud en capaciteit zorgen. Nu al klagen bijvoorbeeld grootverbruikers over de tekortschietende importcapaciteit van het Nederlandse energienetwerk. Maar als iets duidelijk is, dan is het dat de overheid de komende jaren geen geld heeft voor grootschalige investeringen in de infrastructuur en productiecapaciteit van energie. Daarvoor zijn particuliere investeerders onmisbaar.

De energiebedrijven hebben nóg een argument. De netwerken zijn hun belangrijkste economische bezit. Als ze die door opsplitsing kwijtraken, vermindert hun kredietwaardigheid en kunnen ze minder makkelijk geld lenen voor investeringen. Bovendien liggen er ingewikkelde lease-contracten op het gebruik van de netwerken, waarvan de afkoop bij splitsing van de bedrijven de overheid veel geld zou kunnen gaan kosten. En ten slotte zijn ze van mening dat ze zich beter staande kunnen houden – en meer waard zijn bij overnames – in de Europese markt als geïntegreerde bedrijven.

Juristen waarschuwen dat geen enkel ander Europees land heeft gekozen voor de volledige afsplitsing van de netwerkbedrijven en zijn van mening dat er voldoende mogelijkheden tot toezicht en marktregulering bestaan bij de huidige wetgeving. Onder politieke druk dreigt Nederland te gaan kiezen voor een fundamenteel afwijkend bedrijfsmodel in de energiesector. Nederland hobbelt in de richting van een gefragmenteerde en ondergekapitaliseerde energiesector die zal leiden tot capaciteitstekorten en stroomstoringen. Energie-experts slaan ondertussen alarm. Alarmfase rood dat moet Brinkhorst toch aanspreken.

rjanssen@nrc.nl