Wil de echte Greet opstaan?

De gisteren overleden Albert Mol heeft nooit willen onthullen wie model stond voor Blonde Greet, de hoofdpersoon uit zijn boek `Wat zien ik'. Na de film volgt binnenkort de musical over het leven van deze prostituee.

Iedereen wilde weten of Blonde Greet echt bestond. Elke journalist hoopte de onthulling van haar ware identiteit op zijn naam te kunnen zetten. ,,Eén keer hebben ze me een hele fles jenever gevoerd', zei Albert Mol in 1970 in het Algemeen Dagblad, nog nagenietend. Maar wie Greet was, heeft hij nooit onthuld. Wel gaf hij eens ,,voor de grap' aan de vasthoudende verslaggever van een Vlaams sensatieblad een huisnummer in de niet als prostitutiebuurt bekend staande P.C. Hooftstraat te Amsterdam. Een paar dagen later werd hij echter gebeld door een woedende mevrouw. ,,Wat hebt u nú gedaan?' riep zij de succesauteur toe. ,,Ik ben 62, ik ben blond, en de bel staat niet stil.' Mol haastte zich naar haar adres met een verontschuldigende doos bonbons. ,,Ze deed de deur open', aldus zijn relaas, ,,ze pakte de bonbons, ze zei dat ze het een smerig boek vond en ze gooide de deur met een klap weer dicht.'

Blonde Greet was de hoofdpersoon van Wat zien ik, het boek dat Albert Mol in 1965 publiceerde over de belevenissen van een jofele hoer aan de Amsterdamse wallen. Het werd een bestseller van jewelste, vooral door de vrijmoedige beschrijving van de schilderachtige herenverlangens waaraan de dames in de roodverlichte vensters tegemoet moesten komen. Zo was de titel ontleend aan het verhaal over de man die zich eens per week in de kittige uitdossing van een dienstmeisje kwam hullen. Zijn hoogtepunt bereikte hij bij voorkeur als Greet controleerde of hij het interieur wel naar behoren had schoongemaakt – en dan bestraffend riep: ,,Wat zien ik? Stof!'

Naar schatting gingen van Wat zien ik? een half miljoen exemplaren over de toonbank. De auteur werd een man in bonis, die zich plotseling een boerderij in Laren (Gelderland) kon veroorloven. De populaire pers bleef nog geruime tijd naar de echte Blonde Greet zoeken, wellicht zelfs in de hoop een schandaal te ontrafelen: de schrijver koopt een huis, terwijl de vrouw die hem alles heeft verteld, zonder een cent achterblijft. Maar alle sporen liepen dood. Mol, die destijds in de Amsterdamse binnenstad woonde, wilde er nooit meer over zeggen dan dat hij zich had gebaseerd op de verhalen van diverse vrouwen uit zijn buurt.

Hij publiceerde nog een tweede deel (Haar van boven) en vertelde aan iedereen die het wilde horen, dat zelfs Hollywood op zijn pad was gekomen om het boek te verfilmen. Allerlei grote namen uit die tijd werden genoemd voor de hoofdrol: Kim Novak, May Britt, Leslie Caron. Zelf uitte Mol zijn voorkeur voor Shelley Winters, maar zij zou hebben geweigerd omdat ze al in 1965 een Oscar had gewonnen met haar hoerenrol in A patch of blue – ze wenste niet ten eeuwigen dage prostituees te blijven spelen, zo heette het. Al gauw werd trouwens van het hele filmplan niets meer vernomen. Mol verklaarde, dat hij het Amerikaanse scenario had afgewezen: ,,alle lol en couleur locale' waren eruit verdwenen. Liever koos hij voor een puur Nederlandse film.

Zo werd Wat zien ik? in 1971 de doorbraak van producent Rob Houwer, regisseur Paul Verhoeven, scenarist Gerard Soeteman en cameraman Jan de Bont. Vele jaren later biechtten Verhoeven en Soeteman op, dat ze eigenlijk ,,nul affiniteit' hadden met dat boekje van Albert Mol. ,,Bovendien zat er kop noch staart aan het verhaal en zakten de pointes van ellende in elkaar', hoonde Soeteman in Het Parool. Maar de door Houwer geboden kans om hun eerste bioscoopfilm te maken, grepen ze graag aan. Meer dan op Mol zei Soeteman zijn script te hebben gebaseerd op interview-citaten uit het onderzoeksrapport De arbeidsstructuur van de prostitutie van J.W. Groothuyse.

Vooraf had de schrijver alom laten weten, dat hij in Adèle Bloemendaal – ,,niet bepaald een seksloos vrouwtje', zoals hij het formuleerde – de ideale Blonde Greet zag. Houwer koos echter voor de cabaretière Ronny Bierman, wier naam door haar vroege dood (in 1984) een heel wat minder bekende klank heeft gekregen. Sylvia de Leur werd ,,haar van boven'. Maar nog veel opvallender was de acteur Henk Molenberg als de met een plumeau rondhupsende klant, wiens mollige gestalte door niets anders dan een dienstersmutsje en -schortje werd bedekt. Mede door zijn optreden trok de film ruim 2,3 miljoen bezoekers, met als gevolg dat Wat zien ik? al meer dan dertig jaar lang in de topvijf van de best bezochte Nederlandse films aller tijden prijkt.

Ergens in de dertig jaar oude knipsels is bovendien te lezen, dat Albert Mol geen heil zag in een musical-bewerking. Pas drie weken geleden gaf hij daartoe alsnog zijn toestemming aan theaterproducent Ruud de Graaf. Volgens diens planning gaat de musical over Blonde Greet in 2006 in première. Dat zal Albert Mol dus niet meer meemaken.

Gerectificeerd

Prostitutie

Het artikel Wil de echte Greet opstaan (10 maart, pagina 24) refereert aan `De arbeidsstructuur van de prostitutie' van J.W. Groothuyse. Dit was geen onderzoeksrapport, zoals vermeld, maar het proefschrift waarop Groothuyse promoveerde tot doctor in de geneeskunde.