Verbruikte elites

In kringen van conservatieve en neoconservatieve denkers, niet alleen in Nederland, is het weer bon ton `de jaren zestig' de schuld te geven van alle rampen en ellende die ons nu overkomen. ,,Het rampjaar 1966'', las ik ergens. In Amerika wordt nog altijd afgerekend met de gevolgen van de counter culture. Daar zal met het vorderen van de verkiezingscampagne de verderfelijkheid van dit tijdvak weer

leven worden ingeblazen. Het heeft de hardnekkigheid van een theologische twist. Heeft de Slang gesproken? Tot op de dag van vandaag zijn de deskundigen het niet eens.

Zo gaat het ook in het dispuut over dit historische kwaad van nog geen halve eeuw geleden. Als je er eenmaal aan bent begonnen, kom je er niet meer uit. Maar in dit geval is er één verschil. Zelden of nooit wordt de vraag gesteld hoe het komt dat het bestel, de `gevestigde orde', zich toen in de verdediging heeft laten manoeuvreren. Wat is de oorzaak dat die gevestigde orde, in verwarring geraakt, zich kennelijk zo definitief heeft laten afserveren? Dit terwijl er zoveel op het spel stond, terwijl de vertegenwoordigers ervan ,,de macht hadden'', in alle instellingen en konden rekenen op de steun van het bedrijfsleven.

Eén antwoord is al bekend. Het waren `de media' en de linkse studenten. In Nederland traden geen geringe krachten als Hans Wiegel, Haya van Someren, mr. Harm van Riel en De Telegraaf in het strijdperk. Zij hebben de VVD gereanimeerd. Later heeft president Richard Nixon nog verklaard dat de oorlog in Vietnam niet in de jungle maar op de campus van de Amerikaanse universiteiten verloren is. Zo is er een eindeloos aantal argumenten, telkens weer herhaald, al veertig jaar. Goeie ouwe tijd.

Eén oorzaak wordt verwaarloosd. De generaties – overal in het Westen – die het zogenaamde bestel tegen de zogenaamde revolutie verdedigden, hadden zich verbruikt. (Ik noem ze `zogenaamd', omdat het met de aanpassing in continuïteit toen nog geweldig is meegevallen). De maatschappelijke elites die na de Tweede Wereldoorlog Nederland gingen besturen, waren in de crisis en depressie van de jaren dertig volwassen geworden, hadden vijf jaar Bezetting doorstaan en moesten in een half verwoest land aan de wederopbouw beginnen. Toen kwam de Indonesische `kwestie'; in werkelijkheid een oorlog die vier jaar heeft geduurd. Om die te voeren, hebben `wij' een leger van 150.000 man naar de andere kant van de planeet gestuurd, een prestatie, vergelijkbaar met die van de Coalitie in Irak. De onderneming is in 1949 met de Soevereiniteitsoverdracht, in feite een plechtig aangeklede nederlaag, geeïndigd. Ten slotte werd bij de stormramp van 1953 een provincie verwoest. En intussen was de Koude Oorlog in volle gang, d.w.z. het Westen dreigde onder de voet te worden gelopen door het rode gevaar. Aan dit alles moest door anderhalve generatie het hoofd worden geboden. Geen wonder dat ze moe waren. Geen wonder dat ze, overal in het Westen (want hier had ieder land op zijn manier met soortgelijke problemen te maken) de nieuwe bewegingen in en van de maatschappij hebben onderschat.

Historische vergelijkingen gaan altijd mank. Zoals het onzinnig is de oorzaken van alles wat nu in het Westen ontspoort bij de jaren zestig te leggen, zo gaat het ook niet aan de elites van het vigerend bestel te vergelijken met hun voorgangers die toen omgeknakt zijn. Toch, met dat voorbehoud, opper ik dat er een zekere parallel is. Die ligt in de voorgeschiedenis.

Onze crisis van nu ligt in onze verhouding niet alleen tot het moslimfundamentalisme, maar tot de Arabische wereld in haar geheel. We hebben deze wereld nodig om onze samenleving op het niveau van nu te kunnen handhaven. Dat komt, zoals we weten, door de olie. Met verbazingwekkend succes heeft deze Amerikaanse regering de naam van deze delfstof weten te verdringen. Als we het over Irak hebben, spreken we uitsluitend nog over wederopbouw, humanitaire opdracht, democratie. Maar het is zoals toen. Indië verloren, rampspoed geboren. Met de olie, idem. Toen was het een vergissing, nu is het waar.

Dus proberen we ons te verzekeren van de Arabische vriendschap. Dat doen we, althans deze Amerikaanse regering en haar bondgenoten , door met de wapens structuren op te leggen voor de ontwikkeling waarover we zelf eeuwen hebben gedaan. Dat wekt verzet, maar daarop hebben we gerekend. ,,Een politiek van kracht is de enige politiek die ze verstaan.'' Waar heb ik het eerder gehoord?

En hier komt de vage parallel met de generaties die een jaar of vijftig geleden het Europese deel van het Westen bestuurden. Onze verhouding tot de Arabische wereld is drieledig. Economische noodzaak belet ons, voorvechters van de democratie, niet te pacteren met een feodaal regime als in Saoedie-Arabië. Maar als de omstandigheden gunstig lijken, willen we wel de kans wagen om een onwelgevallig bewind te vervangen, zoals in Irak. En dan kan blijken dat de poging daartoe langer duurt dan de optimisten van de instanthervorming hadden verwacht en beloofd. Zelfs dat de aangekondigde, met de wapens bewerkte spoedoplossing steeds verder uit het zicht raakt.

Niet uitgesloten is het dus, dat de leidinggevenden van deze generatie bezig zijn zich in een historische val te werken, door te proberen een vraagstuk van wereldbelang per simpele, gewelddadige confrontatie tot een snelle oplossing te brengen, terwijl alleen met een trage, ingewikkelde politiek en diplomatie op lange termijn een vaag, maar beter, resultaat bereikt zou kunnen worden. Deze leiders verbruiken zich dan in hun radicalisme. En dan: een nieuwe `jaren zestig'?

Geschiedenis bestaat ook uit de bekwaamheid waarmee men de schuld van een mislukking op de tegenpartij kan afwentelen. De nieuwe ruzie begint nu al, in de Amerikaanse campagne. Eén ding is in ieder geval zeker. Na een afwezigheid in de jaren negentig is de wereldgeschiedenis weer terug.