Veel wethouders zijn niet gelukkig met dualisme

Wethouders zijn niet tevreden over het dualisme in het gemeentebestuur. Ze voelen zich vermalen tussen raad en burgemeester en vrezen de toekomst.

Het is merkwaardig. Over de binnenkort gekozen burgemeester wordt volop gedebatteerd. De gevolgen van de dualisering van het lokaal bestuur voor de gemeenteraad trekken aandacht. Maar de wethouder? ,,Rond de wethouder is het muisstil'', zegt Kees Jan de Vet, in het dagelijks leven burgemeester van Leusden (CDA) én tot 2006 voorzitter van een commissie-met-een-lange-naam-en-een-belangrijke-taak, de `begeleidingscommissie vernieuwingsimpuls dualisme en lokale democratie'.

En dat terwijl de vernieuwing van het lokaal bestuur vooral voor de wethouder grote gevolgen heeft, aldus de commissie die vandaag haar tweede jaarbericht publiceert. Sinds bijna 150 jaar was het gewicht van de wethouder in het lokaal bestuur een constante factor. De assistent van de burgemeester groeide al snel uit tot bestuurder met steeds meer eigen taken, de politieke leider van de eigen partij en niet zelden landelijk politiek talent in opkomst. ,,Nederland was een land van wethouders'', schrijft de commissie.

En nu? De wethouder voelt zich niet meer senang. Hij wordt vermalen tussen de steeds onafhankelijker opererende gemeenteraad en de steeds belangrijker burgemeester. Hij is bezig zijn politieke statuur te verliezen, stelt de commissie. Kortom, de wethouder is het stille slachtoffer van de dualisering van het lokaal bestuur die twee jaar geleden werd ingevoerd.

Sinds de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002 zitten wethouders niet langer in de gemeenteraad. Doel van de dualisering van het lokaal bestuur was de rollen van raad en college van burgemeester en wethouders uiteen te trekken. Het college bestuurt, de raad controleert, net als op landelijk niveau de Tweede Kamer tegenover de regering staat. Daardoor moesten de kwaliteit en de helderheid van het lokaal bestuur toenemen. Een van de gevolgen is dat wethouders ook van buiten de raad kunnen komen.

De begeleidingscommissie heeft nu, halverwege de eerste gedualiseerde raadstermijn, onderzocht hoe de 1.600 wethouders in het land de nieuwe verhoudingen ervaren. Dat is gebeurd door een steekproef onder 368 wethouders. De conclusies duiden op aanzienlijke problemen. Veel wethouders vinden de raad ,,lastig''. Zij hebben zelf ,,de regie'' verloren.

Dat kan als een succes van de dualisering worden geduid. Niet toevallig vindt 73 procent van de wethouders dat de onafhankelijkheid van de raad tegenover het college is toegenomen, en dat was precies het doel van de hervorming. Maar, zegt commissievoorzitter De Vet, zelf destijds lid van de staatscommissie-Elzinga die de dualisering voorbereidde, ,,het was toen niet onze bewuste bedoeling de wethouder te verzwakken.'' Hij meent dat de klachten na twee jaar geen aanloopproblemen meer zijn. Vooral omdat bijna de helft van de de wethouders blijkt te menen dat door de dualisering het hele gemeentebestuur minder daadkrachtig is geworden, en de lokale politieke verhoudingen minder stabiel.

Vorig jaar bleek uit onderzoek van de politicoloog Marcel Boogers voor het blad Binnenlands Bestuur al dat een op de drie wethouders terugwilde naar het oude systeem. Boogers is ,,wel verbaasd'' dat de klachten aanhouden. Maar hij denkt ook dat pas de nieuwe generatie wethouders zich echt aangepast zal hebben aan de duale verhoudingen.

Dat verwacht ook minister De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing). Hij denkt dat ,,de meeste wethouders hun draai zullen vinden'', zo zou hij vanmiddag bij de presentatie van het jaarbericht zeggen. Volgens De Graaf hebben de problemen van wethouders ook te maken met hun bestuursstijl. Wethouders met een ,,meer autocratische rolopvatting'' krijgen sneller problemen met een kritische raad. Ook de commissie signaleert een verband tussen bestuursstijl en (on-)tevredenheid. Er zijn ook wethouders die wel hun draai vinden.

De Graaf noemt het ,,aantoonbaar onjuist'' dat de dualisering heeft geleid tot meer gevallen wethouders. Ook het verlies van vertrouwen van de eigen fractie, de opkomst van onervaren politieke partijen en integriteitskwesties spelen volgens hem een rol. Binnenlandse Zaken heeft hierover geen cijfers.

Volgens Kees Jan de Vet is het tijd voor een nieuwe discussie over de wethouder. Als straks de direct gekozen burgemeester wordt ingevoerd, dreigt het wethouderschap zijn politieke karakter geheel te verliezen, vreest hij. De wethouder marginaliseert dan tot hoogstens een ,,verpolitiekte ambtenaar''. Dat zou volgens De Vet uiteindelijk kunnen leiden tot niet minder dan een revolutie in de politieke cultuur. Want met de wethouder komt volgens hem ook de Nederlandse consensusdemocratie onder vuur: in de raad ontstaat een `afrekencultuur' die afwijkt van de traditionele vertegenwoordiging van alle minderheidsbelangen. De Graaf verzekert dat de komst van de gekozen burgemeester ,,geen afbreuk'' zal doen aan de rol van de wethouders. De `goede wethouder' is in zijn ogen geen ,,regisseur van de fractie'', maar wel ,,een politiek bestuurder'' die in staat is tot ,,goed incasseren'' en zich ook kan ,,laten corrigeren''. Net zoiets als een minister dus.