Mijn desillusie over Nederland

Twee jaar geleden schreef John Peet in The Economist heel positief over Nederland. Nu kijkt hij anders tegen ons aan.

Een kleine twee jaar geleden had ik een heel plezierige maand in Nederland, toen ik hier was voor vraaggesprekken en onderzoek ten behoeve van een artikel van 14 pagina's over Nederland dat op 4 mei 2002 in The Economist stond. Mijn overzicht verscheen amper twee weken voor de verkiezingen en maar een paar dagen voor de schokkende moord op Pim Fortuyn. Hoewel in het artikel meermaals werd gewaarschuwd dat het land een akelige economische en politieke toekomst te wachten stond, was de toon over het geheel genomen positief.

Ik kwam tot de slotsom dat Nederland de rest van Europa (en de wereld) had laten zien dat groei en een lage werkloosheid te combineren waren met een ruimhartige verzorgingsstaat; het sociale beleid was een aantrekkelijke mengeling van tolerantie en pragmatisme; de vakbonden waren vooruitstrevend; de openbare diensten werkten merendeels veel beter dan die van andere Europese landen.

Ik vond, kortom, dat Nederland het beter deed dan zijn meeste buurlanden – en dat deze op hun beurt iets van de Nederlanders zouden moeten leren.

Mijn artikel werd door sommigen binnen de Nederlandse regering, vooral in de VVD, gezien als opvallende bijval voor acht jaar paarse coalitie onder Wim Kok, al had ik ook kritiek op het poldermodel van consensus dat volgens sommige politici verantwoordelijk was voor de successen van de regering-Kok.

Voor het eerst sinds 2002 was ik onlangs in Nederland terug. En ik moet toegeven dat ik heel wat minder optimistisch zou zijn dan twee jaar geleden, als ik mijn artikel nu zou schrijven.

Een van de grote teleurstellingen betreft de economie. Daarvan was de groei uit de jaren '90 ook in 2002 al sterk gedaald. Weliswaar heeft de wereldeconomie het moeilijk gehad, maar ik had toch niet verwacht dat de recessie zo lang zou duren. Natuurlijk heeft Nederland last gehad van de voortdurende tegenslagen van zijn grootste buurland, Duitsland. Maar de slechte prestaties van de Nederlandse economie de laatste tijd doen vermoeden dat de arbeidsmarkt en de productenmarkt nog altijd niet voldoende concurrerend of gedereguleerd zijn om net zo flexibel te kunnen reageren als bijvoorbeeld de Britse (of Amerikaanse) economie op een harder economisch wereldklimaat.

Maar mijn grootste desillusie geldt het Nederlandse politieke toneel. Voorafgaand aan de verkiezingen van mei 2002 voorspelde ik dat Jan Peter Balkenende van het CDA vermoedelijk zou komen bovendrijven als premier, waarschijnlijk van een coalitie met VVD en LPF. Maar ook al vóór de moord op Fortuyn kon ik zien dat zo'n coalitie wel eens weinig stabiel zou kunnen zijn: dat binnen een jaar weer verkiezingen plaatsvonden was misschien niet zo'n verrassing.

Maar ook de nieuwe coalitieregering, eveneens onder leiding van Balkenende maar met D66 in plaats van LPF, stelt nogal teleur. Op het merendeel van de economische moeilijkheden heeft ze uiteraard geen vat, al valt me wel op dat Gerrit Zalm in weerwil van zijn kritiek op Frankrijk en Duitsland inzake het Europese Stabiliteitspact dit jaar wel eens een begrotingstekort van bijna of zelfs meer dan 3 procent van het bruto nationaal product zou kunnen hebben.

Maar het meest verontrustend vind ik eigenlijk de toon van de regering. Ze lijkt me populistischer, meer tegen buitenlanders (en trouwens ook meer tegen de Europese Unie), minder tolerant en minder pragmatisch dan de meeste van haar voorgangers.

Tijdens mijn laatste bezoek zat ik in Amsterdam een debat voor over het multiculturalisme. Terwijl Nederland eens vermaard was om zijn pragmatische acceptatie van vreemdelingen en buitenlanders, bekroop me het gevoel dat immigranten en minderheden nu een groeiende vijandigheid ervaren. Het kabinetsbesluit om na 1 mei vast te houden aan werkvergunningen voor migranten uit de acht nieuwe EU-landen in Midden-Europa was een van de tekenen; een ander was de parlementaire goedkeuring van harde plannen om 26.000 asielzoekers uit te zetten.

In sommige opzichten is Nederland alleen maar de rest van Europa gevolgd in een rechtser, populistischer richting, meer tegen immigranten. Hoewel ik in de meeste economische kwesties liberaal ben en geloof in lage belastingen en een kleine publieke sector, betreur ik deze verschuiving. Want deze lijkt me te wijzen op een uitholling van de tolerante en pragmatische souplesse die ik lang zo in de Nederlanders heb bewonderd.

Ik hoop dat dit in Nederland niet meer dan een voorbijgaande fase zal blijken en dat de mensen zullen leren (net als míjn land, Groot-Brittannië, heeft gedaan) dat tolerantie tegenover etnische en andere minderheden, en tegenover immigranten, inmiddels een wezenskenmerk van een beschaafd en succesvol land is. Ook de economische problemen van Europa schreeuwen erom.

Want het is nu eenmaal zo dat veel Europese landen wel eens zouden kunnen merken dat hun economie gaat krimpen en dat ze helemaal niet meer met de Verenigde Staten kunnen concurreren, tenzij ze vrede hebben met meer immigratie en dus met een meer multiculturele samenleving. Dat zou ik mijn Nederlandse vrienden niet toewensen. Herontdek alstublieft uw liberale tolerantie en uw pragmatisme, zodat ik mensen kan blijven oproepen om van het Nederlandse model te leren.

John Peet is redacteur van The Economist. Hij schreef dit artikel op verzoek van NRC Handelsblad.